BWBR0006445
Geldig vanaf 2003-05-14
Artikel V
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
1. De betrokkene van 55 jaar of ouder die in het genot is van een uitkering ingevolge dit besluit dan wel van een wachtgeld als bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, het Rechtspositiebesluit WVO, het Rechtspositiebesluit KO/LO, de Rechtspositieregeling Vormingswerk voor jeugdigen, het B3-reglement onderwijs, hoofdstuk H van het Rechtspositiebesluit WLW, het <a href="/wet/BWBR0002326" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Rijkswachtgeldbesluit</a>, de <a href="/wet/BWBR0002537" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Uitkeringsregeling</a>, Tijdelijke rechtspositieregeling taakverdeling w.o., Besluit SBK II en de regelingen die krachtens artikel 130, tweede lid, artikel 132, eerste lid, en artikel 170, eerste lid, van de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs zijn vastgesteld, zoals deze luidden op 28 februari 1994, die in de periode 1 maart 1994 tot 1 maart 1996 inkomsten gaat genieten of is gaan genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, zodanig dat daardoor de uitkeringskosten verminderen, heeft desgevraagd gedurende maximaal 1 jaar recht op een premie ter grootte van 50% van de bespaarde uitkeringskosten, mits hij in de periode van 12 maanden, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang van de werkzaamheden, niet meer dan € 4 537,80 bruto aan inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf heeft genoten.
2. De premie, bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk na 1 maart 1996 uitbetaald dan wel desgevraagd zo veel eerder als de termijn waarover de premie berekend wordt, kan worden vastgesteld. Deze termijn kan worden vastgesteld indien blijkt dat de betrokkene de inkomsten, ter zake waarvan recht op de premie bestaat, niet langer geniet of deze inkomsten blijvend zodanig zijn verminderd dat terzake daarvan niet langer recht op de premie bestaat dan wel indien blijkt dat de maximale termijn van 1 jaar kan worden vastgesteld.
3. De periode waarin betrokkene de in het eerste lid bedoelde inkomsten gaat genieten of is gaan genieten, blijft buiten toepassing voor het bepalen van de periode, bedoeld in artikel II, tweede lid. De hoogte en duur van de ontslaguitkering blijven gegarandeerd, indien deze ingevolge de toepassing van artikel 6, eerste, tweede, derde en vierde lid, geheel of gedeeltelijk mocht worden beëindigd.
4. De stimuleringspremie vormt geen onderdeel van het ambtelijk inkomen en telt niet mee voor het pensioen. De premie telt eveneens niet mee bij de vaststelling van de uitkering bij hernieuwde werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid dan wel een vervroegde uittredingsregeling.
2. De premie, bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk na 1 maart 1996 uitbetaald dan wel desgevraagd zo veel eerder als de termijn waarover de premie berekend wordt, kan worden vastgesteld. Deze termijn kan worden vastgesteld indien blijkt dat de betrokkene de inkomsten, ter zake waarvan recht op de premie bestaat, niet langer geniet of deze inkomsten blijvend zodanig zijn verminderd dat terzake daarvan niet langer recht op de premie bestaat dan wel indien blijkt dat de maximale termijn van 1 jaar kan worden vastgesteld.
3. De periode waarin betrokkene de in het eerste lid bedoelde inkomsten gaat genieten of is gaan genieten, blijft buiten toepassing voor het bepalen van de periode, bedoeld in artikel II, tweede lid. De hoogte en duur van de ontslaguitkering blijven gegarandeerd, indien deze ingevolge de toepassing van artikel 6, eerste, tweede, derde en vierde lid, geheel of gedeeltelijk mocht worden beëindigd.
4. De stimuleringspremie vormt geen onderdeel van het ambtelijk inkomen en telt niet mee voor het pensioen. De premie telt eveneens niet mee bij de vaststelling van de uitkering bij hernieuwde werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid dan wel een vervroegde uittredingsregeling.