BWBR0006445
Geldig vanaf 2003-05-14
Artikel 5
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
1. Geen recht op uitkering heeft de betrokkene die:
a. doorbetaling van loon ontvangt op grond van artikel 1638c van het Burgerlijk Wetboek dan wel een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
b. Een uitkering ontvangt op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten dan wel een uitkering die naar aard en strekking hiermee overeenkomt, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van tenminste 80%, of recht heeft op een suppletie als bedoeld in hoofdstuk 3 van het tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, dan wel een toelage ontvangt op grond van artikel 58, eerste of derde lid van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die, al dan niet vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
c. een uitkering ontvangt op grond van de Liquidatiewet ongevallenwetten berekend naar volledige arbeidsongeschiktheid;
d. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van tenminste 80%, of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die, al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, 70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
e. recht heeft op onverminderde doorbetaling van zijn loon of bezoldiging;
f. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie;
g. op grond van de Vreemdelingenwet kan worden uitgezet;
h. rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
i. de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft bereikt;
j. vakantie geniet; of
k. werkloos is ten gevolge van werkstaking of uitsluiting.
2. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onder <em>a</em>, <em>b</em>, of <em>c</em>niet wordt uitbetaald wegens enig handelen of nalaten dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt het niet betalen daarvan voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering.
3. In afwijking van het eerste lid onder <em>b</em>, bestaat recht op uitkering ingevolge dit besluit, indien na eindiging van de suppletie als bedoeld in hoofdstuk 3van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel de betrokkene werkloos is, en hij op de datum van ontslag, voldeed aan de voorwaarden van artikel 1, artikel 3en artikel 4. De uitkering wordt geacht te zijn ingegaan op de datum van ontslag op grond waarvan het recht op de suppletie is ontstaan.
4. Geen recht op uitkering heeft de betrokkene over een dag waarop zijn arbeid wordt onderbroken uitsluitend doordat:
a. deze dag voor hem als rustdag geldt;
b. deze dag een nationale of algemeen erkende christelijke feestdag is, dan wel een kerkelijke feestdag, die ter plaatse waar de betrokkene pleegt te werken, algemeen als zodanig wordt gevierd.
5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel <em>e</em>, wordt met loon gelijk gesteld het deel van de inkomsten dat de betrokkene ontvangt in verband met de beëindiging van een betrekking, dat overeenkomt met het bedrag aan loon dat de betrokkene zou hebben ontvangen over de voor hem geldende termijn van opzegging, indien deze in acht zou zijn genomen.
6. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van de betrokkene die uitsluitend uit hoofde van een andere betrekking dan de betrekking waaruit hij werkloos is geworden in de omstandigheid verkeert als bedoeld in het eerste lid.
7. Onze minister is bevoegd:
a. regels te stellen met betrekking tot het begrip vakantie genieten, bedoeld in het eerste lid, onder j;
b. in afwijking van het eerste lid, onderdeel j, regels te stellen met betrekking tot de vaststelling van de periode gedurende welke de betrokkene met behoud van zijn recht op uitkering vakantie kan genieten.
c. voor gevallen waarin de toepassing van het eerste lid, onderdeel a tot en met k, tot onbillijkheden zou kunnen leiden, regels te stellen op grond waarvan kan worden afgeweken van het bepaalde in die onderdelen.
a. doorbetaling van loon ontvangt op grond van artikel 1638c van het Burgerlijk Wetboek dan wel een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
b. Een uitkering ontvangt op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten dan wel een uitkering die naar aard en strekking hiermee overeenkomt, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van tenminste 80%, of recht heeft op een suppletie als bedoeld in hoofdstuk 3 van het tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, dan wel een toelage ontvangt op grond van artikel 58, eerste of derde lid van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die, al dan niet vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
c. een uitkering ontvangt op grond van de Liquidatiewet ongevallenwetten berekend naar volledige arbeidsongeschiktheid;
d. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van tenminste 80%, of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die, al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, 70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
e. recht heeft op onverminderde doorbetaling van zijn loon of bezoldiging;
f. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie;
g. op grond van de Vreemdelingenwet kan worden uitgezet;
h. rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
i. de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft bereikt;
j. vakantie geniet; of
k. werkloos is ten gevolge van werkstaking of uitsluiting.
2. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onder <em>a</em>, <em>b</em>, of <em>c</em>niet wordt uitbetaald wegens enig handelen of nalaten dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt het niet betalen daarvan voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering.
3. In afwijking van het eerste lid onder <em>b</em>, bestaat recht op uitkering ingevolge dit besluit, indien na eindiging van de suppletie als bedoeld in hoofdstuk 3van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel de betrokkene werkloos is, en hij op de datum van ontslag, voldeed aan de voorwaarden van artikel 1, artikel 3en artikel 4. De uitkering wordt geacht te zijn ingegaan op de datum van ontslag op grond waarvan het recht op de suppletie is ontstaan.
4. Geen recht op uitkering heeft de betrokkene over een dag waarop zijn arbeid wordt onderbroken uitsluitend doordat:
a. deze dag voor hem als rustdag geldt;
b. deze dag een nationale of algemeen erkende christelijke feestdag is, dan wel een kerkelijke feestdag, die ter plaatse waar de betrokkene pleegt te werken, algemeen als zodanig wordt gevierd.
5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel <em>e</em>, wordt met loon gelijk gesteld het deel van de inkomsten dat de betrokkene ontvangt in verband met de beëindiging van een betrekking, dat overeenkomt met het bedrag aan loon dat de betrokkene zou hebben ontvangen over de voor hem geldende termijn van opzegging, indien deze in acht zou zijn genomen.
6. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van de betrokkene die uitsluitend uit hoofde van een andere betrekking dan de betrekking waaruit hij werkloos is geworden in de omstandigheid verkeert als bedoeld in het eerste lid.
7. Onze minister is bevoegd:
a. regels te stellen met betrekking tot het begrip vakantie genieten, bedoeld in het eerste lid, onder j;
b. in afwijking van het eerste lid, onderdeel j, regels te stellen met betrekking tot de vaststelling van de periode gedurende welke de betrokkene met behoud van zijn recht op uitkering vakantie kan genieten.
c. voor gevallen waarin de toepassing van het eerste lid, onderdeel a tot en met k, tot onbillijkheden zou kunnen leiden, regels te stellen op grond waarvan kan worden afgeweken van het bepaalde in die onderdelen.