BWBR0006445
Geldig vanaf 2003-05-14
Artikel 4a
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
1. Voor de vaststelling van het in artikel 4, onder a, bedoelde aantal van 39 weken worden niet in aanmerking genomen weken gedurende welke de betrokkene:
a. wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten; of
b. werkzaamheden heeft verricht als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van een vertegenwoordigend orgaan van een publiekrechtelijk lichaam, dat bij rechtstreekse verkiezingen wordt samengesteld, of van een algemeen bestuur van een waterschap, dan wel werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, voor zover deze laatstgenoemde werkzaamheden na aanvang niet meer dan anderhalf jaar hebben geduurd.
2. Voor de vaststelling van het in artikel 4, onder a, bedoelde aantal van 26 weken wordt de in een week verrichte arbeid slechts in aanmerking genomen, voor zover deze betrekking heeft op de betrekking waaruit de betrokkene werkloos is geworden dan wel op een of meer betrekkingen waarvoor de eerstgenoemde betrekking in de plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering of een uitkering die hiermee naar aard en strekking overeenkomt. Een betrekking of de betrekkingen, die gedurende een periode van minder dan acht kalenderweken samenlopen met de betrekking waaruit betrokkene werkloos is geworden, wordt/worden voor de bepaling van het in de vorige volzin bedoelde aantal van 26 weken beschouwd als een betrekking of meerdere betrekkingen die voor de eerstgenoemde betrekking in de plaats is/zijn gekomen.
3. Bij ministeriële regeling kan vastgesteld worden dat voor bepaalde groepen betrokkenen het in artikel 4, onder a, bedoelde aantal van 26 weken lager wordt gesteld.
4. Bij ministeriële regeling kan bepaald worden dat:
a. weken, waarin geen arbeid is verricht in de betrekking waaruit de betrokkene werkloos is geworden, gelijkgesteld worden met weken als bedoeld in het tweede lid; en
b. weken, waarin arbeid wordt verricht meer keren in aanmerking worden genomen.
a. wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten; of
b. werkzaamheden heeft verricht als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van een vertegenwoordigend orgaan van een publiekrechtelijk lichaam, dat bij rechtstreekse verkiezingen wordt samengesteld, of van een algemeen bestuur van een waterschap, dan wel werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, voor zover deze laatstgenoemde werkzaamheden na aanvang niet meer dan anderhalf jaar hebben geduurd.
2. Voor de vaststelling van het in artikel 4, onder a, bedoelde aantal van 26 weken wordt de in een week verrichte arbeid slechts in aanmerking genomen, voor zover deze betrekking heeft op de betrekking waaruit de betrokkene werkloos is geworden dan wel op een of meer betrekkingen waarvoor de eerstgenoemde betrekking in de plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering of een uitkering die hiermee naar aard en strekking overeenkomt. Een betrekking of de betrekkingen, die gedurende een periode van minder dan acht kalenderweken samenlopen met de betrekking waaruit betrokkene werkloos is geworden, wordt/worden voor de bepaling van het in de vorige volzin bedoelde aantal van 26 weken beschouwd als een betrekking of meerdere betrekkingen die voor de eerstgenoemde betrekking in de plaats is/zijn gekomen.
3. Bij ministeriële regeling kan vastgesteld worden dat voor bepaalde groepen betrokkenen het in artikel 4, onder a, bedoelde aantal van 26 weken lager wordt gesteld.
4. Bij ministeriële regeling kan bepaald worden dat:
a. weken, waarin geen arbeid is verricht in de betrekking waaruit de betrokkene werkloos is geworden, gelijkgesteld worden met weken als bedoeld in het tweede lid; en
b. weken, waarin arbeid wordt verricht meer keren in aanmerking worden genomen.