BWBR0006445
Geldig vanaf 2003-05-14
Artikel 25
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
1. Telkens nadat het recht op uitkering na gehele beëindiging van dat recht is herleefd op grond van artikel 7, eindigt het recht op uitkering met inachtneming van het tweede en derde lid, zoveel later dan de in artikel 24, eerste en tweede lid, onderscheidenlijk artikel 36a, eerste, tweede en derde lid, onderscheidenlijk artikel II, eerste lid, genoemde periode als de periode tussen de eindiging en herleving van het recht op uitkering heeft geduurd.
2. Voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering worden, telkens nadat het recht op uitkering geheel is geëindigd wegens ziekte, de eerste drie maanden waarin de betrokkene een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, buiten beschouwing gelaten. De eerste zin blijft buiten toepassing voor zover de laatstgenoemde uitkering wordt ontvangen op grond van artikel 3 van de Wet regels betreffende aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof van overheids- en onderwijspersoneel dan wel op grond van artikel 39voor zover de uitkering op grond van dat artikel is toegekend in verband met zwangerschap.
3. Voor de bepaling van de periode van drie maanden, bedoeld in het tweede lid, worden perioden waarover de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, bedoelde uitkeringen worden ontvangen samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de toepassing van de eerste zin vormt het ontvangen van het laatstgenoten loon of bezoldiging op grond van artikel 3 van de Wet regels betreffende aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof van overheids- en onderwijspersoneel dan wel van een ziekte-uitkering toegekend op grond van artikel 39in verband met zwangerschap geen onderbreking van de periode waarover de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, bedoelde uitkeringen worden ontvangen.
4. Artikel 5, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het tweede en derde lid.
2. Voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering worden, telkens nadat het recht op uitkering geheel is geëindigd wegens ziekte, de eerste drie maanden waarin de betrokkene een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, buiten beschouwing gelaten. De eerste zin blijft buiten toepassing voor zover de laatstgenoemde uitkering wordt ontvangen op grond van artikel 3 van de Wet regels betreffende aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof van overheids- en onderwijspersoneel dan wel op grond van artikel 39voor zover de uitkering op grond van dat artikel is toegekend in verband met zwangerschap.
3. Voor de bepaling van de periode van drie maanden, bedoeld in het tweede lid, worden perioden waarover de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, bedoelde uitkeringen worden ontvangen samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de toepassing van de eerste zin vormt het ontvangen van het laatstgenoten loon of bezoldiging op grond van artikel 3 van de Wet regels betreffende aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof van overheids- en onderwijspersoneel dan wel van een ziekte-uitkering toegekend op grond van artikel 39in verband met zwangerschap geen onderbreking van de periode waarover de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, bedoelde uitkeringen worden ontvangen.
4. Artikel 5, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het tweede en derde lid.