BWBR0006445
Geldig vanaf 2003-05-14
Artikel 39
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
1. De betrokkene aan wie een werkloosheidsuitkering is toegekend en die binnen een termijn gedurende welke hij daarop aanspraak heeft dan wel binnen één maand na afloop van deze termijn blijkens een geneeskundige verklaring langer dan twee dagen aaneensluitend wegens ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, ontvangt desgevraagd, met ingang van de dag waarop hij het desbetreffende verzoek doet, een uitkering. Deze uitkering wordt ten hoogste voor 24 maanden verstrekt, doch eindigt in ieder geval op de dag waarop betrokkene 65 jaar wordt.
2. De hoogte van de uitkering bij ziekte bedraagt gedurende het eerste jaar na aanvang van de werkloosheid: 78% van het dagloon, met dien verstande dat de gezamenlijke periode van de werkloosheidsuitkering en ziekte-uitkering, waarover een uitkering van 78% wordt verleend maximaal één jaar bedraagt en vervolgens 70% van het dagloon.
3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de hoogte van de uitkering tijdens de periode waarin betrokkene in het genot is van een uitkering als bedoeld in artikel 36, 70% van het dagloon, maar ten hoogste 70% van het bedrag van schaal 12 <a href="/wet/BWBR0003630" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>, regelnummer 10.
4. In afwijking van het tweede lid blijft de hoogte van de uitkering tijdens de periode waarin de betrokkene in het genot is van een uitkering als bedoeld in artikel 30, dan wel als bedoeld in artikel 34adan wel van een verlengd wachtgeld krachtens een regeling als bedoeld in artikel II, eerste lid, gelijk aan die uitkering.
5. Artikel 29, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. De uitkering bedoeld in het eerste lid, wordt overigens verleend op de voet en voorwaarden van het <a href="/wet/BWBR0007800" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel</a>.
2. De hoogte van de uitkering bij ziekte bedraagt gedurende het eerste jaar na aanvang van de werkloosheid: 78% van het dagloon, met dien verstande dat de gezamenlijke periode van de werkloosheidsuitkering en ziekte-uitkering, waarover een uitkering van 78% wordt verleend maximaal één jaar bedraagt en vervolgens 70% van het dagloon.
3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de hoogte van de uitkering tijdens de periode waarin betrokkene in het genot is van een uitkering als bedoeld in artikel 36, 70% van het dagloon, maar ten hoogste 70% van het bedrag van schaal 12 <a href="/wet/BWBR0003630" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984</a>, regelnummer 10.
4. In afwijking van het tweede lid blijft de hoogte van de uitkering tijdens de periode waarin de betrokkene in het genot is van een uitkering als bedoeld in artikel 30, dan wel als bedoeld in artikel 34adan wel van een verlengd wachtgeld krachtens een regeling als bedoeld in artikel II, eerste lid, gelijk aan die uitkering.
5. Artikel 29, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. De uitkering bedoeld in het eerste lid, wordt overigens verleend op de voet en voorwaarden van het <a href="/wet/BWBR0007800" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel</a>.