BWBR0006445
Geldig vanaf 2003-05-14
Artikel 38
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
1. De betrokkene wiens recht op uitkering geheel of gedeeltelijk wordt beëindigd op grond van artikel 6, tweede, derde, vierde en vijfde lid, alsmede de betrokkene wiens uitkering wordt verminderd op grond van artikel 20wegens aanvaarding van een betrekking, ontvangt gedurende de voor hem op de eerste werkloosheidsdag overeenkomstig artikel 24, eerste en tweede lid, onderscheidenlijk artikel 34g, onderscheidenlijk artikel 36a, eerste, tweede en derde lid, onderscheidenlijk overeenkomstig artikel II, eerste lid, vastgestelde uitkeringsduur en indien van toepassing vermeerderd met de voor hem op grond van leeftijd en diensttijd verleende bijzondere verlenging tot de eerste van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, desgevraagd loonsuppletie voor zover de uitkeringsduur nog niet is verstreken, indien de inkomsten in de nieuwe betrekking bij een volledige werkweek minder bedragen dan de inkomsten uit de betrekking bij een volledige werkweek waaruit hij is ontslagen.
2. Geen loonsuppletie wordt toegekend indien in de nieuwe betrekking sprake is van uitzendarbeid, tenzij de betrokkene op grond van zijn werkloosheidsduur en gelet op zijn capaciteiten en arbeidsmarktpositie mede in het licht van de verplichtingen op grond van artikel 10redelijkerwijs de uitzendarbeid tegen die inkomsten behoorde te aanvaarden.
3. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien de in het eerste lid bedoelde aanvaarding van een betrekking door de betrokkene geschiedt in onmiddellijke aansluiting op een voorafgaande betrekking en de betrokkene aanspraak op een uitkering zou hebben gehad, indien deze arbeid niet zou zijn aangeboden.
4. De aanvraag om loonsuppletie dient binnen drie maanden na het aanvaarden van de nieuwe betrekking te worden ingediend. De loonsuppletie dient op een door Onze minister beschikbaar gesteld formulier te worden aangevraagd. Bij overschrijding van deze termijn, wordt de loonsuppletie toegekend vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend.
5. De loonsuppletie vervalt met ingang van de dag, waarop de betrokkene opnieuw werkloos wordt, onderscheidenlijk niet meer voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in het eerste lid.
6. De loonsuppletie kan, binnen de op grond van het eerste lid vastgestelde duur, herleven bij het aanvaarden van een nieuwe betrekking, met dien verstande dat de hoogte van de loonsuppletie wordt berekend op basis van het verschil tussen het bruto inkomen dat de betrokkene had in de betrekking waaruit hij de eerste maal werkloos is geworden welke diende voor het vaststellen van het recht op loonsuppletie en het bruto inkomen uit zijn nieuwe betrekking. Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing. Voorzover de betrokkene tegelijkertijd recht heeft op grond van meer dan één recht op bovenwettelijke uitkering, wordt alleen het hoogste recht op loonsuppletie uitbetaald.
7. De hoogte van de loonsuppletie is gedurende de eerste helft van de in het eerste lid bedoelde uitkeringsduur 100% van het verschil tussen het nieuwe bruto maandinkomen, vermeerderd met vaste toelagen en het bruto inkomen dat de betrokkene had in de betrekking waaruit hij werkloos is geworden, vermeerderd met vaste toelagen. De hoogte van de loonsuppletie is gedurende de tweede helft van de in het eerste lid bedoelde uitkeringsduur 90% van het in de eerste volzin bedoelde verschil.
8. De loonsuppletie wordt proportioneel toegekend, indien de omvang van de nieuwe betrekking dan wel de som van de omvang van de nieuwe betrekkingen, kleiner is dan de totale omvang van de betrekking/betrekkingen, waaruit de betrokkene is ontslagen. Indien de totale omvang van de nieuwe betrekking/betrekkingen groter is dan de omvang van de betrekking/betrekkingen waaruit betrokkene is ontslagen, bedraagt de hoogte van de loonsuppletie het feitelijk verschil in inkomen tussen de oude en de nieuwe betrekking/betrekkingen.
9. De loonsuppletie wordt volledig terugbetaald of verrekend met de uitkering, indien de betrokkene de nieuwe betrekking vrijwillig of zonder voldoende reden prijsgeeft.
10. De loonsuppletieregeling is met ingang van 1 januari 1996 eveneens van toepassing op de betrokkene die recht heeft op een ontslaguitkering op grond van een regeling als bedoeld in artikel II, eerste lid, zoals die luidde op 28 februari 1994.
11. De loonsuppletie vormt voor degene die als betrokkene werkzaam is onderdeel van het ambtelijk inkomen en telt mee voor het pensioen. Het bevoegd gezag van de betrokkene, bedoeld in de eerste volzin, verzorgt de afdracht van de pensioenpremie aan het ABP.
12. Tijdens ziekte vindt doorbetaling van de loonsuppletie plaats.
13. De betrokkene heeft geen recht op loonsuppletie indien zijn uitkering blijvend geheel is of zou zijn geweigerd.
14. Voor de toepassing van dit artikel wordt het bruto inkomen uit de nieuwe betrekking geacht niet lager te zijn dan het bedrag van de uitkering waarop betrokkene recht zou hebben gehad als hij werkloos zou zijn gebleven of geworden.
2. Geen loonsuppletie wordt toegekend indien in de nieuwe betrekking sprake is van uitzendarbeid, tenzij de betrokkene op grond van zijn werkloosheidsduur en gelet op zijn capaciteiten en arbeidsmarktpositie mede in het licht van de verplichtingen op grond van artikel 10redelijkerwijs de uitzendarbeid tegen die inkomsten behoorde te aanvaarden.
3. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien de in het eerste lid bedoelde aanvaarding van een betrekking door de betrokkene geschiedt in onmiddellijke aansluiting op een voorafgaande betrekking en de betrokkene aanspraak op een uitkering zou hebben gehad, indien deze arbeid niet zou zijn aangeboden.
4. De aanvraag om loonsuppletie dient binnen drie maanden na het aanvaarden van de nieuwe betrekking te worden ingediend. De loonsuppletie dient op een door Onze minister beschikbaar gesteld formulier te worden aangevraagd. Bij overschrijding van deze termijn, wordt de loonsuppletie toegekend vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend.
5. De loonsuppletie vervalt met ingang van de dag, waarop de betrokkene opnieuw werkloos wordt, onderscheidenlijk niet meer voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in het eerste lid.
6. De loonsuppletie kan, binnen de op grond van het eerste lid vastgestelde duur, herleven bij het aanvaarden van een nieuwe betrekking, met dien verstande dat de hoogte van de loonsuppletie wordt berekend op basis van het verschil tussen het bruto inkomen dat de betrokkene had in de betrekking waaruit hij de eerste maal werkloos is geworden welke diende voor het vaststellen van het recht op loonsuppletie en het bruto inkomen uit zijn nieuwe betrekking. Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing. Voorzover de betrokkene tegelijkertijd recht heeft op grond van meer dan één recht op bovenwettelijke uitkering, wordt alleen het hoogste recht op loonsuppletie uitbetaald.
7. De hoogte van de loonsuppletie is gedurende de eerste helft van de in het eerste lid bedoelde uitkeringsduur 100% van het verschil tussen het nieuwe bruto maandinkomen, vermeerderd met vaste toelagen en het bruto inkomen dat de betrokkene had in de betrekking waaruit hij werkloos is geworden, vermeerderd met vaste toelagen. De hoogte van de loonsuppletie is gedurende de tweede helft van de in het eerste lid bedoelde uitkeringsduur 90% van het in de eerste volzin bedoelde verschil.
8. De loonsuppletie wordt proportioneel toegekend, indien de omvang van de nieuwe betrekking dan wel de som van de omvang van de nieuwe betrekkingen, kleiner is dan de totale omvang van de betrekking/betrekkingen, waaruit de betrokkene is ontslagen. Indien de totale omvang van de nieuwe betrekking/betrekkingen groter is dan de omvang van de betrekking/betrekkingen waaruit betrokkene is ontslagen, bedraagt de hoogte van de loonsuppletie het feitelijk verschil in inkomen tussen de oude en de nieuwe betrekking/betrekkingen.
9. De loonsuppletie wordt volledig terugbetaald of verrekend met de uitkering, indien de betrokkene de nieuwe betrekking vrijwillig of zonder voldoende reden prijsgeeft.
10. De loonsuppletieregeling is met ingang van 1 januari 1996 eveneens van toepassing op de betrokkene die recht heeft op een ontslaguitkering op grond van een regeling als bedoeld in artikel II, eerste lid, zoals die luidde op 28 februari 1994.
11. De loonsuppletie vormt voor degene die als betrokkene werkzaam is onderdeel van het ambtelijk inkomen en telt mee voor het pensioen. Het bevoegd gezag van de betrokkene, bedoeld in de eerste volzin, verzorgt de afdracht van de pensioenpremie aan het ABP.
12. Tijdens ziekte vindt doorbetaling van de loonsuppletie plaats.
13. De betrokkene heeft geen recht op loonsuppletie indien zijn uitkering blijvend geheel is of zou zijn geweigerd.
14. Voor de toepassing van dit artikel wordt het bruto inkomen uit de nieuwe betrekking geacht niet lager te zijn dan het bedrag van de uitkering waarop betrokkene recht zou hebben gehad als hij werkloos zou zijn gebleven of geworden.