BWBR0006445
Geldig vanaf 2003-05-14
Artikel 36a
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
1. De betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag 40 jaar of ouder is en die onmiddellijk voorafgaande aan zijn werkloosheid ten minste 5 jaar ononderbroken een dienstverband heeft gehad aan een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, dan wel bij de rechtsvoorganger van deze instelling, onverminderd het bepaalde in het vijfde lid, heeft recht op een verlenging van zijn uitkering nadat hij gedurende de volledige uitkeringsduur de uitkering als bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, of een nieuw recht op een loongerelateerde uitkering, heeft ontvangen. De uitkeringsduur wordt bij een leeftijd van:
40 jaar, verlengd met 2 jaar;
41 jaar, verlengd met 2,5 jaar;
42 jaar, verlengd met 3 jaar;
43 jaar, verlengd met 3,5 jaar;
44 jaar of ouder, verlengd met 4 jaar.
2. De betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag 45 jaar of ouder is en die onmiddellijk voorafgaande aan zijn werkloosheid ten minste 7 jaar ononderbroken een dienstverband heeft gehad aan een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, dan wel bij de rechtvoorganger van deze instelling, onverminderd het bepaalde in het vijfde lid, heeft recht op een verlenging van zijn uitkering nadat hij gedurende de volledige uitkeringsduur uitkering als bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, of een nieuw recht op een loongerelateerde uitkering, heeft ontvangen. De uitkeringsduur wordt bij een leeftijd van:
45 jaar, verlengd met 4,5 jaar;
46 jaar, verlengd met 5 jaar;
47 jaar, verlengd met 5,5 jaar;
48 jaar, verlengd met 6 jaar;
49 jaar of ouder, verlengd met 6,5 jaar.
3. De betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag 50 jaar of ouder is en die onmiddellijk voorafgaande aan zijn werkloosheid ten minste 12 jaar ononderbroken dienstverband heeft gehad als bedoeld in artikel 1, eerste lid, dan wel bij de rechtvoorganger van deze instelling, onverminderd het bepaalde in het vijfde lid, heeft recht op een verlenging van zijn uitkering tot de eerste dag van de maand waarin hij de 65 jaar heeft bereikt, nadat hij gedurende de volledige uitkeringsduur uitkering als bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, of een nieuw recht op een loongerelateerde uitkering, heeft ontvangen.
4. Indien de betrokkene recht heeft op een verlenging van zijn uitkering op grond van dit artikel, blijven de artikelen 30 tot en met 33buiten toepassing.
5. Een onderbreking in de diensttijd als bedoeld in dit besluit van veertien maanden of korter, wordt niet als onderbreking beschouwd.
6. Indien de betrokkene direct voorafgaande aan zijn werkloosheid recht had op een ziekte-uitkering na ontslag, een wao-uitkering als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007791" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">paragraaf 9 van de WPA</a>, dan wel op een suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, wordt de beëindiging van zijn dienstverband, voor zoveel nodig, geacht onmiddellijk te zijn voorafgegaan aan het ontstaan van de werkloosheid, met dien verstande dat de periode van arbeidsongeschiktheid niet meetelt voor het vaststellen van het aantal jaren als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.
7. Op de duur van de uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt in mindering gebracht de tijd die betrokkene direct voorafgaande aan zijn werkloosheid in het genot was van een wao-uitkering als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007791" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">paragraaf 9 van de WPA</a>, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer dan wel een suppletie als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneelvoor het gedeelte dat niet in mindering kan worden gebracht op de duur van de uitkering als bedoeld in artikel 24.
40 jaar, verlengd met 2 jaar;
41 jaar, verlengd met 2,5 jaar;
42 jaar, verlengd met 3 jaar;
43 jaar, verlengd met 3,5 jaar;
44 jaar of ouder, verlengd met 4 jaar.
2. De betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag 45 jaar of ouder is en die onmiddellijk voorafgaande aan zijn werkloosheid ten minste 7 jaar ononderbroken een dienstverband heeft gehad aan een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, dan wel bij de rechtvoorganger van deze instelling, onverminderd het bepaalde in het vijfde lid, heeft recht op een verlenging van zijn uitkering nadat hij gedurende de volledige uitkeringsduur uitkering als bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, of een nieuw recht op een loongerelateerde uitkering, heeft ontvangen. De uitkeringsduur wordt bij een leeftijd van:
45 jaar, verlengd met 4,5 jaar;
46 jaar, verlengd met 5 jaar;
47 jaar, verlengd met 5,5 jaar;
48 jaar, verlengd met 6 jaar;
49 jaar of ouder, verlengd met 6,5 jaar.
3. De betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag 50 jaar of ouder is en die onmiddellijk voorafgaande aan zijn werkloosheid ten minste 12 jaar ononderbroken dienstverband heeft gehad als bedoeld in artikel 1, eerste lid, dan wel bij de rechtvoorganger van deze instelling, onverminderd het bepaalde in het vijfde lid, heeft recht op een verlenging van zijn uitkering tot de eerste dag van de maand waarin hij de 65 jaar heeft bereikt, nadat hij gedurende de volledige uitkeringsduur uitkering als bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, of een nieuw recht op een loongerelateerde uitkering, heeft ontvangen.
4. Indien de betrokkene recht heeft op een verlenging van zijn uitkering op grond van dit artikel, blijven de artikelen 30 tot en met 33buiten toepassing.
5. Een onderbreking in de diensttijd als bedoeld in dit besluit van veertien maanden of korter, wordt niet als onderbreking beschouwd.
6. Indien de betrokkene direct voorafgaande aan zijn werkloosheid recht had op een ziekte-uitkering na ontslag, een wao-uitkering als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007791" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">paragraaf 9 van de WPA</a>, dan wel op een suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, wordt de beëindiging van zijn dienstverband, voor zoveel nodig, geacht onmiddellijk te zijn voorafgegaan aan het ontstaan van de werkloosheid, met dien verstande dat de periode van arbeidsongeschiktheid niet meetelt voor het vaststellen van het aantal jaren als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.
7. Op de duur van de uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt in mindering gebracht de tijd die betrokkene direct voorafgaande aan zijn werkloosheid in het genot was van een wao-uitkering als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007791" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">paragraaf 9 van de WPA</a>, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer dan wel een suppletie als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneelvoor het gedeelte dat niet in mindering kan worden gebracht op de duur van de uitkering als bedoeld in artikel 24.