BWBR0006445
Geldig vanaf 2003-05-14
Artikel 7
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
1. Indien het recht op uitkering op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, b of c, of tweede lid, geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid heeft opgehouden te bestaan, herleeft het recht op uitkering met inachtneming van het tweede lid, van de in het derde, vierde en vijfde lid genoemde termijnen en de op grond van het zesde lid gestelde regels en van de in artikel 4a, eerste lid, onder b, genoemde termijnen, voorzover geen nieuw loongerelateerd recht bestaat op uitkering ingevolge artikel 4of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt.
2. In afwijking van het eerste lid herleeft een recht dat geheel geëindigd is niet, indien:
a. het recht op uitkering dat zou herleven een omvang zou hebben van minder dan één arbeidsuur per kalenderweek;
b. een nieuw recht op uitkering ingevolge dit besluit is ontstaan uit een volledige dienstbetrekking en het verschil tussen het geëindigde recht en het nieuwe recht minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek bedraagt;
c. na de dag waarop het recht dat zou herleven geheel geëindigd is, een jaar is verstreken en het recht dat zou herleven een omvang zou hebben van minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek.
3. Een recht op uitkering dat geheel of gedeeltelijk is geëindigd:
a. wegens een omstandigheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder f, h of j; of
b. op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, als gevolg van het niet voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, wegens andere omstandigheden dan ziekte of arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 5, eerste lid; of
c. wegens een combinatie van de hier bedoelde omstandigheden;
kan, ook indien deze omstandigheden zich aaneensluitend voordoen, slechts herleven indien de periode tussen de eindiging van het recht en het vervallen van de omstandigheid of omstandigheden als hier bedoeld niet langer is dan zes maanden.
4. In afwijking van het eerste lid herleeft de uitkering van de betrokkene, van wie het recht op uitkering geheel of gedeeltelijk is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf dan wel de zelfstandige uitoefening van een beroep, bij beëindiging van die werkzaamheden binnen een tijdvak van anderhalf jaar nadat die werkzaamheden een aanvang hebben genomen.
5. In afwijking van het eerste en het derde lid herleeft het recht op uitkering indien betrokkene opnieuw werkloos wordt, nadat de uitkering geheel of gedeeltelijk is geëindigd wegens het aanvaarden van werkzaamheden in een betrekking waarin men verzekerd is ingevolge de <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>dan wel een naar aard en strekking daarmee overeenkomende regeling, dan wel wegens het aanvaarden van werkzaamheden anders dan in de uitoefening van een bedrijf dan wel in de zelfstandige uitoefening van een beroep buiten Nederland. Een uitkering waarop de betrokkene recht heeft ingevolge de <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>dan wel een naar aard en strekking daarmee overeenkomende regeling, dan wel een uitkering waarop hij recht heeft op grond van een in het buitenland geldende regeling, wordt in dat geval geheel in mindering gebracht op de uitkering. Indien een uitkering als bedoeld in de vorige volzin niet wordt uitbetaald wegens enig handelen of nalaten dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt het niet betalen daarvan voor de toepassing van dit lid gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering.
6. Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden op grond waarvan voor groepen van betrokkenen de termijn genoemd in het derde lid buiten toepassing wordt verklaard.
7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaraan de aanvraag om herleving van de uitkering, bedoeld in het vijfde lid, moet voldoen.
2. In afwijking van het eerste lid herleeft een recht dat geheel geëindigd is niet, indien:
a. het recht op uitkering dat zou herleven een omvang zou hebben van minder dan één arbeidsuur per kalenderweek;
b. een nieuw recht op uitkering ingevolge dit besluit is ontstaan uit een volledige dienstbetrekking en het verschil tussen het geëindigde recht en het nieuwe recht minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek bedraagt;
c. na de dag waarop het recht dat zou herleven geheel geëindigd is, een jaar is verstreken en het recht dat zou herleven een omvang zou hebben van minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek.
3. Een recht op uitkering dat geheel of gedeeltelijk is geëindigd:
a. wegens een omstandigheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder f, h of j; of
b. op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, als gevolg van het niet voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, wegens andere omstandigheden dan ziekte of arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 5, eerste lid; of
c. wegens een combinatie van de hier bedoelde omstandigheden;
kan, ook indien deze omstandigheden zich aaneensluitend voordoen, slechts herleven indien de periode tussen de eindiging van het recht en het vervallen van de omstandigheid of omstandigheden als hier bedoeld niet langer is dan zes maanden.
4. In afwijking van het eerste lid herleeft de uitkering van de betrokkene, van wie het recht op uitkering geheel of gedeeltelijk is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf dan wel de zelfstandige uitoefening van een beroep, bij beëindiging van die werkzaamheden binnen een tijdvak van anderhalf jaar nadat die werkzaamheden een aanvang hebben genomen.
5. In afwijking van het eerste en het derde lid herleeft het recht op uitkering indien betrokkene opnieuw werkloos wordt, nadat de uitkering geheel of gedeeltelijk is geëindigd wegens het aanvaarden van werkzaamheden in een betrekking waarin men verzekerd is ingevolge de <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>dan wel een naar aard en strekking daarmee overeenkomende regeling, dan wel wegens het aanvaarden van werkzaamheden anders dan in de uitoefening van een bedrijf dan wel in de zelfstandige uitoefening van een beroep buiten Nederland. Een uitkering waarop de betrokkene recht heeft ingevolge de <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>dan wel een naar aard en strekking daarmee overeenkomende regeling, dan wel een uitkering waarop hij recht heeft op grond van een in het buitenland geldende regeling, wordt in dat geval geheel in mindering gebracht op de uitkering. Indien een uitkering als bedoeld in de vorige volzin niet wordt uitbetaald wegens enig handelen of nalaten dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt het niet betalen daarvan voor de toepassing van dit lid gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering.
6. Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden op grond waarvan voor groepen van betrokkenen de termijn genoemd in het derde lid buiten toepassing wordt verklaard.
7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaraan de aanvraag om herleving van de uitkering, bedoeld in het vijfde lid, moet voldoen.