BWBR0003558
Geldig vanaf 1983-01-01
Artikel 30
Regeling uitgiftevoorwaarden grondbankstelsel
1. Indien de plaats van de bedrijfsleider, van wiens leeftijd het eindigen van de erfpacht afhankelijk is, wordt ingenomen door een kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind, wordt de duur van de erfpacht op verzoek van de opvolger met inachtneming van het bepaalde in het tweede en derde lid aangepast, mits ten tijde van het indienen van het verzoek.
a. de opvolger voldoet aan de alsdan door de eigenaar aan bedrijfsleiders van rechtspersonen, met wie een erfpachtovereenkomst wordt aangegaan, gestelde eisen en
b. de bedrijfsoppervlakte voldoet aan de alsdan door de eigenaar gestelde eisen.
2. De duur van de erfpacht zal te rekenen vanaf het tijdstip van de aanpassing, 26 jaren bedragen.
3. Indien de opvolger op het tijdstip van de aanpassing de leeftijd van 39 jaren nog niet heeft bereikt, wordt in afwijking van het in het tweede lid bepaalde de duur van de erfpacht zodanig aangepast, dat deze te rekenen vanaf het tijdstip van aanpassing, gelijk zal zijn aan het aantal jaren, dat verstrijkt alsvorens de bedrijfsleider de leeftijd van 65 jaren zal hebben bereikt, met dien verstande dat bedoelde tijdsduur 40 jaren niet te boven zal gaan.
4. Indien de opvolger de in het eerste lid omschreven erfpacht wenst uit te oefenen, dient hij niet later dan 12 maanden na de opvolging, bij aangetekend schrijven daarvan aan de eigenaar mededeling te doen. De eigenaar stelt uiterlijk 6 maanden na ontvangst van de mededeling de opvolger ervan in kennis of al dan niet aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan.
a. de opvolger voldoet aan de alsdan door de eigenaar aan bedrijfsleiders van rechtspersonen, met wie een erfpachtovereenkomst wordt aangegaan, gestelde eisen en
b. de bedrijfsoppervlakte voldoet aan de alsdan door de eigenaar gestelde eisen.
2. De duur van de erfpacht zal te rekenen vanaf het tijdstip van de aanpassing, 26 jaren bedragen.
3. Indien de opvolger op het tijdstip van de aanpassing de leeftijd van 39 jaren nog niet heeft bereikt, wordt in afwijking van het in het tweede lid bepaalde de duur van de erfpacht zodanig aangepast, dat deze te rekenen vanaf het tijdstip van aanpassing, gelijk zal zijn aan het aantal jaren, dat verstrijkt alsvorens de bedrijfsleider de leeftijd van 65 jaren zal hebben bereikt, met dien verstande dat bedoelde tijdsduur 40 jaren niet te boven zal gaan.
4. Indien de opvolger de in het eerste lid omschreven erfpacht wenst uit te oefenen, dient hij niet later dan 12 maanden na de opvolging, bij aangetekend schrijven daarvan aan de eigenaar mededeling te doen. De eigenaar stelt uiterlijk 6 maanden na ontvangst van de mededeling de opvolger ervan in kennis of al dan niet aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan.