BWBR0003558
Geldig vanaf 1983-01-01
Artikel 10
Regeling uitgiftevoorwaarden grondbankstelsel
1. Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de eigenaar is het de erfpachter verboden:
a. de erfpacht of enig deel daarvan te vervreemden;
b. een onverdeeldheid, waarin de erfpacht wordt bezeten, op te heffen, anders dan door scheiding, waarbij dit recht in zijn geheel wordt toebedeeld aan een en dezelfde natuurlijke persoon;
c. de erfpachtzaak, onder welke titel ook, geheel of gedeeltelijk aan derden in gebruik te geven;
d. afstand te doen van de erfpacht;
e. op de erfpachtzaak of erfpacht zakelijke rechten te vestigen uitgezonderd het recht van hypotheek.
2. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde zal het de hypotheekhouder bij verkoop op grond van artikel 268 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboekvrijstaan het erfpachtrecht aan te kopen. Indien de gewezen hypotheekhouder na aankoop het verkregen erfpachtrecht wenst te vervreemden, is hij verplicht dit eerst aan de eigenaar van de grond aan te bieden tegen een in onderling overleg te bepalen prijs. Komen de gewezen hypotheekhouder en de eigenaar van de grond niet tot overeenstemming, dan wordt de prijs bij wege van bindend advies vastgesteld door 3 deskundigen, welke op verzoek van de meest gerede partij worden benoemd door de kantonrechter, binnen wiens ressort het erfpachtgoed of het grootste gedeelte daarvan is gelegen.
3. Handelingen in strijd met het in het eerste lid bepaalde zijn nietig ten aanzien van de eigenaar en worden als niet gedaan beschouwd. De erfpachter verbeurt ter zake van elke handeling in strijd met het in het eerste en tweede lid bepaalde een onmiddellijke opeisbare boete ten bedrage van het tienvoud van de jaarlijkse canon.
4. Aan de in het eerste lid bedoelde toestemming, kunnen door de eigenaar voorwaarden worden verbonden tot behoud van de doeleinden waartoe de grond in erfpacht werd uitgegeven. Deze voorwaarden houden in ieder geval in, dat de verkrijger van het erfpachtrecht zich onderwerpt aan alle voorwaarden van de erfpachtovereenkomst, waartoe de vervreemder van het erfpachtrecht zich had verbonden.
5. De in de voorwaarden omschreven verplichtingen van partijen om iets te dulden of niet te doen ten aanzien van de erfpacht en de erfpachtzaak gaan over op hen die de erfpacht onder bijzondere titel verkrijgen. Zij die van de erfpachter een recht tot gebruik van de erfpacht of de erfpachtzaak verkrijgen, zijn mede aan deze verplichtingen gebonden.
6. De in het vijfde lid bedoelde verplichtingen krijgen derdenwerking door inschrijving in de openbare registers van een van de voorwaarden opgemaakte notariële akte. De erfpachter verleent de eigenaar onherroepelijke machtiging om de inschrijving tot stand te brengen.
7. De erfpachter is verplicht en verbindt zich jegens de eigenaar, die dit voor zich aanvaardt, de verplichtingen om te doen, zoals die tevens zijn omschreven in de notariële akte, bedoeld in het zesde lid, bij overdracht van de erfpacht en bij verlening daarop van enig zakelijk of persoonlijk gebruiks- of genotsrecht aan de nieuwe erfpachter of zakelijk of persoonlijk gerechtigde ten behoeve van de eigenaar op te leggen en aan te nemen.
8. Het bepaalde in het vijfde tot en met het zevende lid geldt slechts voor zover de verplichtingen niet van rechtswege door de overdracht van de erfpacht of de vestiging van het beperkte recht overgaan op de nieuwe erfpachter of beperkt gerechtigde.
a. de erfpacht of enig deel daarvan te vervreemden;
b. een onverdeeldheid, waarin de erfpacht wordt bezeten, op te heffen, anders dan door scheiding, waarbij dit recht in zijn geheel wordt toebedeeld aan een en dezelfde natuurlijke persoon;
c. de erfpachtzaak, onder welke titel ook, geheel of gedeeltelijk aan derden in gebruik te geven;
d. afstand te doen van de erfpacht;
e. op de erfpachtzaak of erfpacht zakelijke rechten te vestigen uitgezonderd het recht van hypotheek.
2. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde zal het de hypotheekhouder bij verkoop op grond van artikel 268 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboekvrijstaan het erfpachtrecht aan te kopen. Indien de gewezen hypotheekhouder na aankoop het verkregen erfpachtrecht wenst te vervreemden, is hij verplicht dit eerst aan de eigenaar van de grond aan te bieden tegen een in onderling overleg te bepalen prijs. Komen de gewezen hypotheekhouder en de eigenaar van de grond niet tot overeenstemming, dan wordt de prijs bij wege van bindend advies vastgesteld door 3 deskundigen, welke op verzoek van de meest gerede partij worden benoemd door de kantonrechter, binnen wiens ressort het erfpachtgoed of het grootste gedeelte daarvan is gelegen.
3. Handelingen in strijd met het in het eerste lid bepaalde zijn nietig ten aanzien van de eigenaar en worden als niet gedaan beschouwd. De erfpachter verbeurt ter zake van elke handeling in strijd met het in het eerste en tweede lid bepaalde een onmiddellijke opeisbare boete ten bedrage van het tienvoud van de jaarlijkse canon.
4. Aan de in het eerste lid bedoelde toestemming, kunnen door de eigenaar voorwaarden worden verbonden tot behoud van de doeleinden waartoe de grond in erfpacht werd uitgegeven. Deze voorwaarden houden in ieder geval in, dat de verkrijger van het erfpachtrecht zich onderwerpt aan alle voorwaarden van de erfpachtovereenkomst, waartoe de vervreemder van het erfpachtrecht zich had verbonden.
5. De in de voorwaarden omschreven verplichtingen van partijen om iets te dulden of niet te doen ten aanzien van de erfpacht en de erfpachtzaak gaan over op hen die de erfpacht onder bijzondere titel verkrijgen. Zij die van de erfpachter een recht tot gebruik van de erfpacht of de erfpachtzaak verkrijgen, zijn mede aan deze verplichtingen gebonden.
6. De in het vijfde lid bedoelde verplichtingen krijgen derdenwerking door inschrijving in de openbare registers van een van de voorwaarden opgemaakte notariële akte. De erfpachter verleent de eigenaar onherroepelijke machtiging om de inschrijving tot stand te brengen.
7. De erfpachter is verplicht en verbindt zich jegens de eigenaar, die dit voor zich aanvaardt, de verplichtingen om te doen, zoals die tevens zijn omschreven in de notariële akte, bedoeld in het zesde lid, bij overdracht van de erfpacht en bij verlening daarop van enig zakelijk of persoonlijk gebruiks- of genotsrecht aan de nieuwe erfpachter of zakelijk of persoonlijk gerechtigde ten behoeve van de eigenaar op te leggen en aan te nemen.
8. Het bepaalde in het vijfde tot en met het zevende lid geldt slechts voor zover de verplichtingen niet van rechtswege door de overdracht van de erfpacht of de vestiging van het beperkte recht overgaan op de nieuwe erfpachter of beperkt gerechtigde.