BWBR0003558
Geldig vanaf 1983-01-01
Artikel 15
Regeling uitgiftevoorwaarden grondbankstelsel
1. Bij beëindiging van de erfpacht moet de erfpachtzaak in behoorlijke toestand, tot genoegen van de eigenaar worden opgeleverd. Voor daaraan aangerichte schade blijft de erfpachter persoonlijk aansprakelijk.
2. Ter zake van verbeteringen door de erfpachter aan de erfpachtzaak aangebracht, heeft deze alsdan het recht op een billijke vergoeding, indien hij het voornemen tot het aanbrengen van de verbetering tijdig schriftelijk aan de eigenaar heeft ter kennis gebracht, onder opgave van de geschatte kosten en de eigenaar zich hiertegen niet heeft verzet. Komen de erfpachter en de eigenaar niet tot overeenstemming over de vergoeding, dan wordt de vergoeding bij wege van bindend advies vastgesteld door 3 deskundigen, welke op verzoek van de meest gerede partij worden benoemd door de kantonrechter, binnen wiens ressort de erfpachtzaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen.
3. Bij beëindiging van de erfpacht betaalt de erfpachter al hetgeen hij uit hoofde van de erfpachtovereenkomst aan de eigenaar verschuldigd is, alsmede de bij het einde van de erfpacht verschuldigde en sedertdien niet aangezuiverde bedragen voor belastingen en lasten, waarvoor de erfpachtzaak verbonden bleef.
4. Nadat de grond geheel ter beschikking van de eigenaar of de nieuwe gebruiksgerechtigde is gesteld en de bedragen als bedoeld in het tweede en derde lid zijn vastgesteld, vindt tussen partijen, in afwijking van het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, verrekening plaats.
5. De eigenaar is bevoegd van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, in te houden hetgeen hij nog uit hoofde van de erfpacht van de erfpachter te vorderen heeft, daaronder begrepen de sinds het einde van de erfpacht niet aangezuiverde bedragen voor lasten en belastingen waarvoor de erfpachtzaak verbonden bleef. De vergoeding wordt niet uitgekeerd zolang de erfpachter niet schriftelijk heeft verklaard dat de erfpachtzaak met opstallen geheel ter vrije beschikking van de eigenaar staat.
2. Ter zake van verbeteringen door de erfpachter aan de erfpachtzaak aangebracht, heeft deze alsdan het recht op een billijke vergoeding, indien hij het voornemen tot het aanbrengen van de verbetering tijdig schriftelijk aan de eigenaar heeft ter kennis gebracht, onder opgave van de geschatte kosten en de eigenaar zich hiertegen niet heeft verzet. Komen de erfpachter en de eigenaar niet tot overeenstemming over de vergoeding, dan wordt de vergoeding bij wege van bindend advies vastgesteld door 3 deskundigen, welke op verzoek van de meest gerede partij worden benoemd door de kantonrechter, binnen wiens ressort de erfpachtzaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen.
3. Bij beëindiging van de erfpacht betaalt de erfpachter al hetgeen hij uit hoofde van de erfpachtovereenkomst aan de eigenaar verschuldigd is, alsmede de bij het einde van de erfpacht verschuldigde en sedertdien niet aangezuiverde bedragen voor belastingen en lasten, waarvoor de erfpachtzaak verbonden bleef.
4. Nadat de grond geheel ter beschikking van de eigenaar of de nieuwe gebruiksgerechtigde is gesteld en de bedragen als bedoeld in het tweede en derde lid zijn vastgesteld, vindt tussen partijen, in afwijking van het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, verrekening plaats.
5. De eigenaar is bevoegd van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, in te houden hetgeen hij nog uit hoofde van de erfpacht van de erfpachter te vorderen heeft, daaronder begrepen de sinds het einde van de erfpacht niet aangezuiverde bedragen voor lasten en belastingen waarvoor de erfpachtzaak verbonden bleef. De vergoeding wordt niet uitgekeerd zolang de erfpachter niet schriftelijk heeft verklaard dat de erfpachtzaak met opstallen geheel ter vrije beschikking van de eigenaar staat.