BWBR0003558
Geldig vanaf 1983-01-01
Artikel 20
Regeling uitgiftevoorwaarden grondbankstelsel
1. Na afloop van de tijdsduur waarvoor de erfpacht is gevestigd, heeft de erfpachter de mogelijkheid de landbouwgrond in eigendom te verwerven tegen de werkelijke waarde als omschreven in de artikelen 40b–40f, van de Onteigeningswet.
2. De erfpachter heeft de in het eerste lid omschreven mogelijkheid, indien hij een daartoe strekkend verzoek ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar voor het tijdstip waarop de erfpacht eindigt, bij de eigenaar heeft ingediend.
3. Indien met de eigenaar geen overeenstemming over de prijs wordt verkregen kan de erfpachter een verzoek richten tot de arrondissementsrechtbank binnen welk rechtsgebied de desbetreffende landbouwgrond is gelegen.
4. Bij de behandeling van het in het derde lid bedoelde verzoek is het bepaalde in de artikelen 45en 46 van de Wet agrarisch grondverkeervan overeenkomstige toepassing.
2. De erfpachter heeft de in het eerste lid omschreven mogelijkheid, indien hij een daartoe strekkend verzoek ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar voor het tijdstip waarop de erfpacht eindigt, bij de eigenaar heeft ingediend.
3. Indien met de eigenaar geen overeenstemming over de prijs wordt verkregen kan de erfpachter een verzoek richten tot de arrondissementsrechtbank binnen welk rechtsgebied de desbetreffende landbouwgrond is gelegen.
4. Bij de behandeling van het in het derde lid bedoelde verzoek is het bepaalde in de artikelen 45en 46 van de Wet agrarisch grondverkeervan overeenkomstige toepassing.