BWBR0003558
Geldig vanaf 1983-01-01
Artikel 24
Regeling uitgiftevoorwaarden grondbankstelsel
1. Indien de plaats van de erfpachter, van wiens leeftijd het eindigen van de erfpacht afhankelijk is, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 10wordt ingenomen door een kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind, wordt de duur van de erfpacht op verzoek van de erfpachters gezamenlijk met inachtneming van het bepaalde in het tweede en derde lid aangepast, mits ten tijde van het indienen van het verzoek:
a. de persoon van ieder van de overige erfpachters, alsmede van zodanig kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind, voldoet aan de alsdan door de eigenaar aan personen, met wie een erfpachtovereenkomst wordt aangegaan, gestelde eisen, en
b. de bedrijfsoppervlakte voldoet aan de alsdan door de eigenaar gestelde eisen.
2. De duur van de erfpacht zal, te rekenen vanaf het tijdstip van de aanpassing, 26 jaren bedragen.
3. Indien de oudste van de overblijvende erfpachters op het tijdstip van de aanpassing de leeftijd van 39 jaren nog niet heeft bereikt, wordt in afwijking van het in het tweede lid bepaalde de duur van de erfpacht zodanig aangepast, dat deze te rekenen vanaf het tijdstip van de aanpassing gelijk zal zijn aan het aantal jaren, dat verstrijkt alvorens die erfpachter de leeftijd van 65 jaren zal hebben bereikt, met dien verstande dat bedoelde tijdsduur 40 jaren niet te boven zal gaan.
4. Indien de erfpachter, van wiens leeftijd het eindigen van de erfpacht afhankelijk is, tijdens de duur daarvan overlijdt en diens plaats niet wordt ingenomen door een kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind, wordt de duur van de erfpacht op verzoek van de erfpachters gezamenlijk zodanig aangepast, dat deze te rekenen vanaf het tijdstip van de aanpassing gelijk zal zijn aan het aantal jaren dat verstrijkt alsvorens de oudste overblijvende erfpachter de leeftijd van 65 jaren zal hebben bereikt, mits ten tijde van het indienen van het verzoek de bedrijfsoppervlakte voldoet aan de alsdan door de eigenaar gestelde eisen.
5. Indien de erfpachters het in het eerste of vierde lid omschreven recht wensen uit te oefenen, dienen zij bij aangetekend schrijven daarvan aan de eigenaar mededeling te doen:
a. in gevallen als bedoeld in het eerste lid, niet later dan 12 maanden nadat de plaats van de erfpachter, van wiens leeftijd het eindigen van de erfpacht afhankelijk is, ingenomen is door een kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind;
b. in gevallen als bedoeld in het vierde lid, niet later dan 12 maanden na het overlijden van de onder a bedoelde erfpachter.
De eigenaar stelt uiterlijk 6 maanden na ontvangst van de mededeling de erfpachters ervan in kennis of al dan niet aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan.
a. de persoon van ieder van de overige erfpachters, alsmede van zodanig kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind, voldoet aan de alsdan door de eigenaar aan personen, met wie een erfpachtovereenkomst wordt aangegaan, gestelde eisen, en
b. de bedrijfsoppervlakte voldoet aan de alsdan door de eigenaar gestelde eisen.
2. De duur van de erfpacht zal, te rekenen vanaf het tijdstip van de aanpassing, 26 jaren bedragen.
3. Indien de oudste van de overblijvende erfpachters op het tijdstip van de aanpassing de leeftijd van 39 jaren nog niet heeft bereikt, wordt in afwijking van het in het tweede lid bepaalde de duur van de erfpacht zodanig aangepast, dat deze te rekenen vanaf het tijdstip van de aanpassing gelijk zal zijn aan het aantal jaren, dat verstrijkt alvorens die erfpachter de leeftijd van 65 jaren zal hebben bereikt, met dien verstande dat bedoelde tijdsduur 40 jaren niet te boven zal gaan.
4. Indien de erfpachter, van wiens leeftijd het eindigen van de erfpacht afhankelijk is, tijdens de duur daarvan overlijdt en diens plaats niet wordt ingenomen door een kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind, wordt de duur van de erfpacht op verzoek van de erfpachters gezamenlijk zodanig aangepast, dat deze te rekenen vanaf het tijdstip van de aanpassing gelijk zal zijn aan het aantal jaren dat verstrijkt alsvorens de oudste overblijvende erfpachter de leeftijd van 65 jaren zal hebben bereikt, mits ten tijde van het indienen van het verzoek de bedrijfsoppervlakte voldoet aan de alsdan door de eigenaar gestelde eisen.
5. Indien de erfpachters het in het eerste of vierde lid omschreven recht wensen uit te oefenen, dienen zij bij aangetekend schrijven daarvan aan de eigenaar mededeling te doen:
a. in gevallen als bedoeld in het eerste lid, niet later dan 12 maanden nadat de plaats van de erfpachter, van wiens leeftijd het eindigen van de erfpacht afhankelijk is, ingenomen is door een kind, behuwd-, pleeg- of kleinkind;
b. in gevallen als bedoeld in het vierde lid, niet later dan 12 maanden na het overlijden van de onder a bedoelde erfpachter.
De eigenaar stelt uiterlijk 6 maanden na ontvangst van de mededeling de erfpachters ervan in kennis of al dan niet aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan.