BWBR0003454
Geldig vanaf 1982-05-01
Artikel 8
Metroreglement
1. De naam van elk station is met duidelijke, vanuit de trein leesbare letters aangeduid; de toegangen zijn door een door de directie vastgesteld uniform kenteken aangeduid.
2. Elk station is voorzien van één of meer klokken die de juiste tijd aanwijzen; deze worden zolang de reizigersdienst duurt, behoorlijk verlicht.
3. Aan beide einden van een roltrap of rolpad is opvallend en voor ieder voldoende bereikbaar een inrichting aanwezig, waarmee de roltrap- of rolpadmachine tot stilstand kan worden gebracht. Nabij deze inrichting is het opschrift "Noodrem" aangebracht, alsmede een aanduiding dat misbruik strafbaar is.
4. De perrons liggen ten hoogste 7 cm lager of ten hoogste 3 cm hoger dan de rijtuigvloer ter plaatse van de voor reizigers toegankelijke deuren van de treinstellen. Indien aan een perroneinde een verticale boog in het perronspoor noodzakelijk is, mogen deze waarden over een lengte van ten hoogste 15 m vanaf het einde van het perron 10 cm onderscheidenlijk 6 cm bedragen.
5. Indien horizontale bogen in perronsporen noodzakelijk zijn, bedraagt de boogstraal ten minste 400 m.
6. De afstand tussen de perronrand en de rand van de vloer van het rijtuig of het treinstel ter plaatse van het midden van een voor reizigers toegankelijke deuropening is bij een boogstraal van 400 m ten hoogste 15 cm, bij bogen met grotere straal en op recht spoor dienovereenkomstig kleiner.
7. De Minister kan van het bepaalde in de voorafgaande leden in bijzondere gevallen afwijkingen toestaan.
8. De Minister kan, de directie gehoord, nadere voorschriften geven omtrent de technische inrichting van de stations.
2. Elk station is voorzien van één of meer klokken die de juiste tijd aanwijzen; deze worden zolang de reizigersdienst duurt, behoorlijk verlicht.
3. Aan beide einden van een roltrap of rolpad is opvallend en voor ieder voldoende bereikbaar een inrichting aanwezig, waarmee de roltrap- of rolpadmachine tot stilstand kan worden gebracht. Nabij deze inrichting is het opschrift "Noodrem" aangebracht, alsmede een aanduiding dat misbruik strafbaar is.
4. De perrons liggen ten hoogste 7 cm lager of ten hoogste 3 cm hoger dan de rijtuigvloer ter plaatse van de voor reizigers toegankelijke deuren van de treinstellen. Indien aan een perroneinde een verticale boog in het perronspoor noodzakelijk is, mogen deze waarden over een lengte van ten hoogste 15 m vanaf het einde van het perron 10 cm onderscheidenlijk 6 cm bedragen.
5. Indien horizontale bogen in perronsporen noodzakelijk zijn, bedraagt de boogstraal ten minste 400 m.
6. De afstand tussen de perronrand en de rand van de vloer van het rijtuig of het treinstel ter plaatse van het midden van een voor reizigers toegankelijke deuropening is bij een boogstraal van 400 m ten hoogste 15 cm, bij bogen met grotere straal en op recht spoor dienovereenkomstig kleiner.
7. De Minister kan van het bepaalde in de voorafgaande leden in bijzondere gevallen afwijkingen toestaan.
8. De Minister kan, de directie gehoord, nadere voorschriften geven omtrent de technische inrichting van de stations.