BWBR0003454
Geldig vanaf 1982-05-01
Artikel 28
Metroreglement
1. De Minister stelt voor elke spoorweg, de directie gehoord, het kinematisch omgrenzingsprofiel vast, geldend voor de in artikel 12, eerste lid, bedoelde referentieboog. Het rollend materieel blijft met alle daaraan bevestigde losse delen, bij een gelijkmatig verdeelde, volle, belasting, in bogen met een straal gelijk aan of groter dan de hierboven bedoelde referentieboog, binnen dit profiel.
2. Bij de bepaling van het kinematisch omgrenzingsprofiel wordt ervan uitgegaan, dat de hartlijn van dit profiel samenvalt met de hartlijn van het spoor met een spoorwijdte van 1435 mm, waarbij deze hartlijn loodrecht staat op het vlak door de bovenkant van de spoorstaven.
3. Bij de bepaling van de afmetingen van het rollend materieel wordt uitgegaan van het in het eerste lid bepaalde en rekening gehouden met:
a. geometrische verplaatsingen ten gevolge van de instelling van dat materieel in nieuw spoor, slijtagefactoren van dat materieel en verticale verplaatsingen ervan;
b. horizontale verplaatsingen ten gevolge van statisch overhellen van dat materieel bij een verkanting van 150 mm.
2. Bij de bepaling van het kinematisch omgrenzingsprofiel wordt ervan uitgegaan, dat de hartlijn van dit profiel samenvalt met de hartlijn van het spoor met een spoorwijdte van 1435 mm, waarbij deze hartlijn loodrecht staat op het vlak door de bovenkant van de spoorstaven.
3. Bij de bepaling van de afmetingen van het rollend materieel wordt uitgegaan van het in het eerste lid bepaalde en rekening gehouden met:
a. geometrische verplaatsingen ten gevolge van de instelling van dat materieel in nieuw spoor, slijtagefactoren van dat materieel en verticale verplaatsingen ervan;
b. horizontale verplaatsingen ten gevolge van statisch overhellen van dat materieel bij een verkanting van 150 mm.