BWBR0003454
Geldig vanaf 1982-05-01
Artikel 25
Metroreglement
1. Tussen een wissel, gelegen in een hoofdspoor, en een ingevolge het bepaalde in artikel 21, eerste of derde lid, daarvoor geplaatst sein, of het in de cabine van een naderende trein getoonde sein moet een zodanig verband bestaan, dat als dat sein resp. dit cabinesein het voorbijrijden toelaat, het wissel niet kan worden omgelegd.
2. Wanneer een wissel in een hoofdspoor tegen de punt wordt bereden, moet tussen dat wissel en een daarvoor geplaatst vast sein of het in de cabine van een naderende trein getoond sein een zodanig verband bestaan, dat de juiste stand van de wisseltongen verzekerd is.
3. De directie kan bepalen, dat het in het eerste en tweede lid bedoelde verband achterwege blijft, mits bij het doorrijden van treinen over een hoofdspoor de wissels met een slot gesloten of bewaakt zijn.
4. Indien een wissel in een hoofdspoor normaal tegen de punt wordt bereden, zijn voorzieningen aanwezig die het omleggen beletten tijdens het berijden tegen de punt. Onder "normaal bereden" wordt ook verstaan het geval, bedoeld in artikel 56, tweede lid, onder a.
5. Tussen de seinen, geplaatst ingevolge het bepaalde in artikel 21, eerste en derde lid, bestaat een zodanig verband dat deze seinen alleen een seinbeeld dat voorbij rijden toestaat kunnen tonen, wanneer daardoor geen treinen met elkaar of met een rangeerdeel in botsing kunnen komen.
2. Wanneer een wissel in een hoofdspoor tegen de punt wordt bereden, moet tussen dat wissel en een daarvoor geplaatst vast sein of het in de cabine van een naderende trein getoond sein een zodanig verband bestaan, dat de juiste stand van de wisseltongen verzekerd is.
3. De directie kan bepalen, dat het in het eerste en tweede lid bedoelde verband achterwege blijft, mits bij het doorrijden van treinen over een hoofdspoor de wissels met een slot gesloten of bewaakt zijn.
4. Indien een wissel in een hoofdspoor normaal tegen de punt wordt bereden, zijn voorzieningen aanwezig die het omleggen beletten tijdens het berijden tegen de punt. Onder "normaal bereden" wordt ook verstaan het geval, bedoeld in artikel 56, tweede lid, onder a.
5. Tussen de seinen, geplaatst ingevolge het bepaalde in artikel 21, eerste en derde lid, bestaat een zodanig verband dat deze seinen alleen een seinbeeld dat voorbij rijden toestaat kunnen tonen, wanneer daardoor geen treinen met elkaar of met een rangeerdeel in botsing kunnen komen.