BWBR0003454
Geldig vanaf 1982-05-01
Artikel 45
Metroreglement
1. De bak en inwendige uitrusting bestaan uit onsplinterbaar, moeilijk ontvlambaar materiaal.
2. De ramen bestaan uit veiligheidsglas. Zij kunnen slechts zover worden geopend dat naar buiten leunen niet mogelijk is. Als een treinstel aan één zijde geen deur heeft, moet aan deze zijde een aantal ramen, gelijkmatig over de lengte van het treinstel verdeeld, als nooduitgang kunnen dienen. Zij zijn
- duidelijk door een opschrift "Nooduitgang" aangeduid;
- ten minste 60 cm breed en 43 cm hoog;
- door bediening van een bijzonder slot te openen, dan wel gemakkelijk en snel te vernielen of te verwijderen, waartoe speciaal gereedschap in de onmiddellijke omgeving moet zijn aangebracht.
3. Treinstellen hebben een voldoend aantal deuren met een doorgang van tenminste 65 cm breed.
De deuren kunnen slechts worden geopend en gesloten door bediening van de hiertoe bestemde apparatuur, zodanig dat hierbij geen gevaar voor reizigers ontstaat, en worden in de eindstanden vastgehouden. Gedurende de gehele rit zijn zij vergrendeld, doch kunnen in geval van gevaar door de reizigers worden geopend.
De gesloten stand van de deuren wordt in de cabine van de metrobestuurder aangegeven. In geopende stand blijven zij binnen het profiel van vrije ruimte als bedoeld in artikel 12.
4. De Minister kan toestemming verlenen tot toepassing van een door hem te accorderen systeem van automatische deursluiting.
5. Bij de constructie van treinstellen wordt uitgegaan van een gemiddeld gewicht van 70 kg per reiziger; ten aanzien van de staanplaatsen wordt uitgegaan van 7 reizigers per m 2.
6. De hoogte van het voor reizigers toegankelijke gedeelte bedraagt tenminste 1,90 m; ter plaatse van de zitplaatsen is een kleinere hoogte toegestaan.
7. In de vloer van het voor reizigers toegankelijke gedeelte van het treinstel bevinden zich geen treden.
8. Treinstellen zijn voorzien van middelen tot behoorlijke verlichting, luchtverversing en verwarming. In tunneltrajecten is de verlichting steeds ontstoken. Op deze trajecten rijdende treinstellen zijn uitgerust met een noodverlichting die onafhankelijk is van de stroomrail- of bovenleidingspanning.
De cabine van de metrobestuurder is afgeschermd tegen het licht uit het voor reizigers toegankelijke gedeelte.
9. Treinstellen bezitten aan de voorzijde en/of aan de perronzijde een inrichting om de bestemming van de trein aan te duiden.
10. In elk treinstel bevindt zich een door de directie te bepalen aantal zitplaatsen, kenbaar door een door de directie vast te stellen aanduiding en bestemd voor reizigers voor wie het afleggen van de reis in staande houding bezwaar kan opleveren.
11. Treinstellen voortbewogen door verbrandingsmotoren zijn niet toegelaten. De Minister kan van dit verbod in bijzondere gevallen ontheffing verlenen.
2. De ramen bestaan uit veiligheidsglas. Zij kunnen slechts zover worden geopend dat naar buiten leunen niet mogelijk is. Als een treinstel aan één zijde geen deur heeft, moet aan deze zijde een aantal ramen, gelijkmatig over de lengte van het treinstel verdeeld, als nooduitgang kunnen dienen. Zij zijn
- duidelijk door een opschrift "Nooduitgang" aangeduid;
- ten minste 60 cm breed en 43 cm hoog;
- door bediening van een bijzonder slot te openen, dan wel gemakkelijk en snel te vernielen of te verwijderen, waartoe speciaal gereedschap in de onmiddellijke omgeving moet zijn aangebracht.
3. Treinstellen hebben een voldoend aantal deuren met een doorgang van tenminste 65 cm breed.
De deuren kunnen slechts worden geopend en gesloten door bediening van de hiertoe bestemde apparatuur, zodanig dat hierbij geen gevaar voor reizigers ontstaat, en worden in de eindstanden vastgehouden. Gedurende de gehele rit zijn zij vergrendeld, doch kunnen in geval van gevaar door de reizigers worden geopend.
De gesloten stand van de deuren wordt in de cabine van de metrobestuurder aangegeven. In geopende stand blijven zij binnen het profiel van vrije ruimte als bedoeld in artikel 12.
4. De Minister kan toestemming verlenen tot toepassing van een door hem te accorderen systeem van automatische deursluiting.
5. Bij de constructie van treinstellen wordt uitgegaan van een gemiddeld gewicht van 70 kg per reiziger; ten aanzien van de staanplaatsen wordt uitgegaan van 7 reizigers per m 2.
6. De hoogte van het voor reizigers toegankelijke gedeelte bedraagt tenminste 1,90 m; ter plaatse van de zitplaatsen is een kleinere hoogte toegestaan.
7. In de vloer van het voor reizigers toegankelijke gedeelte van het treinstel bevinden zich geen treden.
8. Treinstellen zijn voorzien van middelen tot behoorlijke verlichting, luchtverversing en verwarming. In tunneltrajecten is de verlichting steeds ontstoken. Op deze trajecten rijdende treinstellen zijn uitgerust met een noodverlichting die onafhankelijk is van de stroomrail- of bovenleidingspanning.
De cabine van de metrobestuurder is afgeschermd tegen het licht uit het voor reizigers toegankelijke gedeelte.
9. Treinstellen bezitten aan de voorzijde en/of aan de perronzijde een inrichting om de bestemming van de trein aan te duiden.
10. In elk treinstel bevindt zich een door de directie te bepalen aantal zitplaatsen, kenbaar door een door de directie vast te stellen aanduiding en bestemd voor reizigers voor wie het afleggen van de reis in staande houding bezwaar kan opleveren.
11. Treinstellen voortbewogen door verbrandingsmotoren zijn niet toegelaten. De Minister kan van dit verbod in bijzondere gevallen ontheffing verlenen.