1. Behoudens hetgeen hierna is bepaald, is het krachtvoertuig aan het hoofd van de trein geplaatst.
2. Voertuigen als bedoeld in artikel 48, mogen met de cabine voorop aan het hoofd van de trein worden geplaatst.
3. De metrobestuurder of machinist bevindt zich
a. hetzij in de voorste cabine van het in het eerste lid bedoelde krachtvoertuig, dan wel in de vooroprijdende cabine van een voertuig als bedoeld in het tweede lid,
b. hetzij - bij bediening van buitenaf als bedoeld in artikel 43, vijfde lid - op een andere plaats vanwaar hij de te volgen weg kan overzien.
De onder bbedoelde bediening is slechts toegestaan bij treinen die niet zijn opengesteld voor reizigers.
Geen metrobestuurder of machinist is nodig, indien de trein wordt bestuurd door het in artikel 20bedoelde systeem van ATO.
4. a. In de trein mogen twee of meer krachtvoertuigen zijn geplaatst die worden bediend door de in het derde lid bedoelde metrobestuurder of machinist.
b. Afzonderlijk bediende krachtvoertuigen mogen in de trein zijn geplaatst, indien de metrobestuurders of machinisten zich voortdurend door middel van een spreekverbinding met elkaar kunnen verstaan en alle krachtvoertuigen zijn aangesloten op het doorgaande zelfwerkende remsysteem, bedoeld in artikel 52, eerste lid.
5. Afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is toegestaan bij:
a. treinen die niet voor reizigers zijn opengesteld;
b. treinen naar of van spooraansluitingen;
c. bedrijfsstoringen.
De wijze waarop de treinen dan mogen worden vervoerd, wordt geregeld in een afzonderlijke afdeling van het in
artikel 6 van de Spoorwegwetbedoelde dienstreglement.
6. Voor het rijden met andere dan de in artikel 43, zesde en zevende lid, bedoelde krachtvoertuigen geeft de directie bijzondere voorschriften.
7. Niet medewerkende, onbemande krachtvoertuigen blijven bij de bepaling van het aantal krachtvoertuigen buiten beschouwing.