BWBR0003454
Geldig vanaf 1982-05-01
Artikel 10
Metroreglement
1. Als de afstand tussen de perroneinden van twee opeenvolgende ondergrondse stations, c.q. het perroneinde van een ondergronds station en een tunnelingang, meer dan 900 m bedraagt, zijn ten genoegen van de Minister één of meer nooduitgangen aangebracht. Deze zijn door blauw licht aangeduid.
2. De Minister kan afwijkingen toestaan van het bepaalde in het eerste lid.
3. In tunnelgedeelten moet een verlichtingsinstallatie aanwezig zijn, die in de as van de in artikel 9, derde lid, bedoelde vluchtweg een verlichtingssterkte heeft van ten minste 0,2 lux, gemeten op 1 m boven de weg. Bij uitvallen van de tunnelverlichting wordt automatisch een noodverlichting met ten minste bovengenoemde lichtsterkte ingeschakeld. Deze noodverlichtingsinstallatie is zodanig uitgevoerd dat zij ten minste één uur na het uitvallen van de netspanning licht uitstraalt.
2. De Minister kan afwijkingen toestaan van het bepaalde in het eerste lid.
3. In tunnelgedeelten moet een verlichtingsinstallatie aanwezig zijn, die in de as van de in artikel 9, derde lid, bedoelde vluchtweg een verlichtingssterkte heeft van ten minste 0,2 lux, gemeten op 1 m boven de weg. Bij uitvallen van de tunnelverlichting wordt automatisch een noodverlichting met ten minste bovengenoemde lichtsterkte ingeschakeld. Deze noodverlichtingsinstallatie is zodanig uitgevoerd dat zij ten minste één uur na het uitvallen van de netspanning licht uitstraalt.