BWBR0003454
Geldig vanaf 1982-05-01
Artikel 43
Metroreglement
1. Elk krachtvoertuig is voorzien van
a. een handrem, veerrem of andere vastzetrem, die het in beweging komen van het krachtvoertuig op de steilste helling van de spoorweg verhindert - zulks onverminderd het bepaalde in artikel 46, tweede lid - en waarvan de bediening onafhankelijk is van die van de reminrichtingen, bedoeld in artikel 46, eerste lid, en artikel 52, eerste lid; indien een cabine aanwezig is, is de vastzetrem van hieruit bedienbaar;
b. een rem, aangesloten op het doorgaande zelfwerkende remsysteem als bedoeld in artikel 52, eerste lid;
c. een brandblusapparaat.
2. Onverminderd het in het eerste lid voorgeschrevene is elk met een of meer cabines uitgerust krachtvoertuig voorzien van:
a. een van uit de cabine(s) bedienbare inrichting om geluidsseinen te geven;
b. een van uit de cabine(s) bedienbare inrichting om het in artikel 52, eerste lid, bedoelde doorgaande zelfwerkende remsysteem te bedienen en te controleren, indien het krachtvoertuig is bestemd voor het vervoeren van treinen met een doorgaand zelfwerkend remsysteem;
c. een snelheidsmeter in elke cabine, indien de grootste toegelaten snelheid van het krachtvoertuig meer dan 30 km/h bedraagt;
d. de apparatuur van het door de Minister geaccordeerde systeem van ATB en ATO, wanneer het krachtvoertuig dienst doet op met ATB onderscheidenlijk ATO uitgeruste baanvakken;
e. een inrichting die, wanneer hij niet voortdurend of met korte tussenpozen door de metrobestuurder of machinist wordt bediend, het krachtvoertuig automatisch tot stilstand brengt; deze inrichting mag buiten bedrijf zijn gesteld als het krachtvoertuig rijdt met een in dienst zijnd systeem van ATO.
3. De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid sub e, onverminderd het bepaalde in art. 69, vierde lid.
4. Bij storing van het ATB- of ATO-systeem komen de hierbij betrokken krachtvoertuigen automatisch tot stilstand.
5. Alle in het krachtvoertuig ten behoeve van de voortbeweging dienstdoende motoren kunnen door de metrobestuurder of machinist vanuit elke cabine - indien aanwezig - van het krachtvoertuig zelf worden beheerst; daarenboven zijn voorzieningen toegelaten die het mogelijk maken dat de bedoelde beheersing, alsmede die van de inrichtingen, bedoeld in het tweede lid onder a, b, en e, geschiedt vanuit de cabine van een ander voertuig in de trein of het rangeerdeel, dan wel op andere wijze van buitenaf; in laatstgenoemd geval voldoet de apparatuur aan door de Minister te stellen voorwaarden.
6. Bij krachtvoertuigen voortbewogen door een of meer verbrandingsmotoren zijn:
a. de brandstoftanks en de brandstofleidingen zodanig ingericht, dat daarin geen ongewenste overdruk kan ontstaan en dat de kans op het ontstaan van lekken zoveel mogelijk wordt beperkt;
b. de ruimten waarin deze tanks zijn aangebracht van het inwendige van het krachtvoertuig door dichte, onbrandbare wanden gescheiden en zodanig ingericht, dat buiten de tanks geraakte vloeibare brandstof of brandbare gassen onmiddellijk buiten het krachtvoertuig worden afgevoerd;
c. de leidingen voor de afvoer van afgewerkte motorgassen, voor zover zij zich in de inwendige ruimte van het krachtvoertuig bevinden, niet onderbroken en waar zij gevaar voor brand opleveren, geïsoleerd.
7. Krachtvoertuigen voortbewogen door een of meer elektromotoren, zijn voorzien van:
a. inrichtingen die beveiligen tegen de gevolgen van te grote stroomsterkte en te hoge spanning van de elektrische stroom, voor zover deze niet elders, b.v. in onderstations, zijn ondergebracht;
b. geleidende verbindingen tussen de aarde en alle delen van het krachtvoertuig, die, indien zij ten gevolge van breuk in de bovenleiding of door andere oorzaken onder spanning zouden komen, gevaar opleveren.
8. Stroomafnemers zijn zodanig geconstrueerd en gemonteerd, dat de stroom met de voor het voertuig hoogste toegelaten snelheid veilig wordt afgenomen. De stroomafnemers oefenen een zo gelijkmatig mogelijke druk op de stroomrail of bovenleiding uit. De Minister kan voorschrijven dat zij worden beveiligd tegen onbedoeld opzetten.
9. De voorruiten van de cabines van krachtvoertuigen bestaan uit veiligheidsglas zonder beeldvervorming; in krachtvoertuigen met een hogere toegelaten snelheid dan 50 km/h zijn zij behalve van ruitenwissers tevens voorzien van apparatuur die beslaan of bevriezen verhindert.
10. Andere dan de in het zesde en zevende lid bedoelde typen krachtvoertuigen kunnen op stadsspoorwegen worden toegelaten onder door de Minister te stellen voorwaarden.
a. een handrem, veerrem of andere vastzetrem, die het in beweging komen van het krachtvoertuig op de steilste helling van de spoorweg verhindert - zulks onverminderd het bepaalde in artikel 46, tweede lid - en waarvan de bediening onafhankelijk is van die van de reminrichtingen, bedoeld in artikel 46, eerste lid, en artikel 52, eerste lid; indien een cabine aanwezig is, is de vastzetrem van hieruit bedienbaar;
b. een rem, aangesloten op het doorgaande zelfwerkende remsysteem als bedoeld in artikel 52, eerste lid;
c. een brandblusapparaat.
2. Onverminderd het in het eerste lid voorgeschrevene is elk met een of meer cabines uitgerust krachtvoertuig voorzien van:
a. een van uit de cabine(s) bedienbare inrichting om geluidsseinen te geven;
b. een van uit de cabine(s) bedienbare inrichting om het in artikel 52, eerste lid, bedoelde doorgaande zelfwerkende remsysteem te bedienen en te controleren, indien het krachtvoertuig is bestemd voor het vervoeren van treinen met een doorgaand zelfwerkend remsysteem;
c. een snelheidsmeter in elke cabine, indien de grootste toegelaten snelheid van het krachtvoertuig meer dan 30 km/h bedraagt;
d. de apparatuur van het door de Minister geaccordeerde systeem van ATB en ATO, wanneer het krachtvoertuig dienst doet op met ATB onderscheidenlijk ATO uitgeruste baanvakken;
e. een inrichting die, wanneer hij niet voortdurend of met korte tussenpozen door de metrobestuurder of machinist wordt bediend, het krachtvoertuig automatisch tot stilstand brengt; deze inrichting mag buiten bedrijf zijn gesteld als het krachtvoertuig rijdt met een in dienst zijnd systeem van ATO.
3. De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid sub e, onverminderd het bepaalde in art. 69, vierde lid.
4. Bij storing van het ATB- of ATO-systeem komen de hierbij betrokken krachtvoertuigen automatisch tot stilstand.
5. Alle in het krachtvoertuig ten behoeve van de voortbeweging dienstdoende motoren kunnen door de metrobestuurder of machinist vanuit elke cabine - indien aanwezig - van het krachtvoertuig zelf worden beheerst; daarenboven zijn voorzieningen toegelaten die het mogelijk maken dat de bedoelde beheersing, alsmede die van de inrichtingen, bedoeld in het tweede lid onder a, b, en e, geschiedt vanuit de cabine van een ander voertuig in de trein of het rangeerdeel, dan wel op andere wijze van buitenaf; in laatstgenoemd geval voldoet de apparatuur aan door de Minister te stellen voorwaarden.
6. Bij krachtvoertuigen voortbewogen door een of meer verbrandingsmotoren zijn:
a. de brandstoftanks en de brandstofleidingen zodanig ingericht, dat daarin geen ongewenste overdruk kan ontstaan en dat de kans op het ontstaan van lekken zoveel mogelijk wordt beperkt;
b. de ruimten waarin deze tanks zijn aangebracht van het inwendige van het krachtvoertuig door dichte, onbrandbare wanden gescheiden en zodanig ingericht, dat buiten de tanks geraakte vloeibare brandstof of brandbare gassen onmiddellijk buiten het krachtvoertuig worden afgevoerd;
c. de leidingen voor de afvoer van afgewerkte motorgassen, voor zover zij zich in de inwendige ruimte van het krachtvoertuig bevinden, niet onderbroken en waar zij gevaar voor brand opleveren, geïsoleerd.
7. Krachtvoertuigen voortbewogen door een of meer elektromotoren, zijn voorzien van:
a. inrichtingen die beveiligen tegen de gevolgen van te grote stroomsterkte en te hoge spanning van de elektrische stroom, voor zover deze niet elders, b.v. in onderstations, zijn ondergebracht;
b. geleidende verbindingen tussen de aarde en alle delen van het krachtvoertuig, die, indien zij ten gevolge van breuk in de bovenleiding of door andere oorzaken onder spanning zouden komen, gevaar opleveren.
8. Stroomafnemers zijn zodanig geconstrueerd en gemonteerd, dat de stroom met de voor het voertuig hoogste toegelaten snelheid veilig wordt afgenomen. De stroomafnemers oefenen een zo gelijkmatig mogelijke druk op de stroomrail of bovenleiding uit. De Minister kan voorschrijven dat zij worden beveiligd tegen onbedoeld opzetten.
9. De voorruiten van de cabines van krachtvoertuigen bestaan uit veiligheidsglas zonder beeldvervorming; in krachtvoertuigen met een hogere toegelaten snelheid dan 50 km/h zijn zij behalve van ruitenwissers tevens voorzien van apparatuur die beslaan of bevriezen verhindert.
10. Andere dan de in het zesde en zevende lid bedoelde typen krachtvoertuigen kunnen op stadsspoorwegen worden toegelaten onder door de Minister te stellen voorwaarden.