BWBR0003454
Geldig vanaf 1982-05-01
Artikel 52
Metroreglement
1. De treinen zijn voorzien van een doorgaand zelfwerkend remysteem, dat aan de volgende eisen voldoet:
a. de remmen kunnen door de metrobestuurder of machinist alsmede automatisch in werking worden gesteld;
b. zodra de doorgaande leiding wordt verbroken, treden tenminste de remmen van het treindeel achter de plaats van verbreking in werking.
2. De constructie van het doorgaande zelfwerkende remsysteem en de inrichting om het te bedienen worden vastgesteld door de directie.
3. Onverminderd het elders in dit artikel bepaalde mogen in een trein ten hoogste zoveel voertuigen zonder bediend remtoestel worden vervoerd, dat een afgebroken treindeel tot stilstand komt binnen de krachtens het vijfde en zesde lid daarvoor geldende remweg.
4. In het in <a href="/wet/BWBR0001848/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6 van de Spoorwegwet</a>bedoelde dienstreglement wordt het minimumgewicht van voertuigen zonder bediend remtoestel bepaald. Tevens kunnen bepalingen worden opgenomen waarbij wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste en derde lid.
5. Treinen worden zodanig beremd, dat zij op een vlakke baan tot stilstand kunnen worden gebracht binnen de hierna genoemde afstanden:
[tabel]
In het in <a href="/wet/BWBR0001848/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6 van de Spoorwegwet</a>bedoelde dienstreglement wordt bepaald hoe te handelen bij uitval van een deel van de remkracht.
6. De directie bepaalt in hoeverre de in het vijfde lid vermelde remwegen op dalende hellingen mogen worden verlengd en hoe het promillage van een helling wordt berekend.
a. de remmen kunnen door de metrobestuurder of machinist alsmede automatisch in werking worden gesteld;
b. zodra de doorgaande leiding wordt verbroken, treden tenminste de remmen van het treindeel achter de plaats van verbreking in werking.
2. De constructie van het doorgaande zelfwerkende remsysteem en de inrichting om het te bedienen worden vastgesteld door de directie.
3. Onverminderd het elders in dit artikel bepaalde mogen in een trein ten hoogste zoveel voertuigen zonder bediend remtoestel worden vervoerd, dat een afgebroken treindeel tot stilstand komt binnen de krachtens het vijfde en zesde lid daarvoor geldende remweg.
4. In het in <a href="/wet/BWBR0001848/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6 van de Spoorwegwet</a>bedoelde dienstreglement wordt het minimumgewicht van voertuigen zonder bediend remtoestel bepaald. Tevens kunnen bepalingen worden opgenomen waarbij wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste en derde lid.
5. Treinen worden zodanig beremd, dat zij op een vlakke baan tot stilstand kunnen worden gebracht binnen de hierna genoemde afstanden:
[tabel]
In het in <a href="/wet/BWBR0001848/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6 van de Spoorwegwet</a>bedoelde dienstreglement wordt bepaald hoe te handelen bij uitval van een deel van de remkracht.
6. De directie bepaalt in hoeverre de in het vijfde lid vermelde remwegen op dalende hellingen mogen worden verlengd en hoe het promillage van een helling wordt berekend.