BWBR0003454
Geldig vanaf 1982-05-01
Artikel 53
Metroreglement
1. De Minister stelt per spoorweg of zo nodig per spoorweggedeelte de snelheid vast waarmede de treinen mogen rijden. Zij bedraagt overigens, onverminderd het bepaalde in het zesde lid en noodzakelijke snelheidsbeperkingen wegens de aard van het materieel of de situatie ter plaatse, niet meer dan:
a. 90 km/h voor treinen bestaande uit treinstellen;
b. 60 km/h voor andere treinen indien zij door een metrobestuurder of machinist aan het hoofd van de trein worden bediend.
2. De toegelaten snelheid, ingeval de trein wordt bediend door een metrobestuurder of machinist die zich niet aan het hoofd van de trein bevindt, wordt geregeld in het dienstreglement, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001848/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6 van de Spoorwegwet</a>.
3. Bij proefritten is ten hoogste een snelheid van 120 km/h toegelaten.
4. Behalve bij proefritten is de snelheid zodanig dat voldaan wordt aan het in artikel 52, vijfde lid, bepaalde. Zij mag voorts, behoudens in de in het vijfde lid voorziene gevallen, bij het doorrijden van bogen, waaronder begrepen wisselbogen, niet meer bedragen dan voortvloeit uit onderstaande formule, waarbij is uitgegaan van een grootste zijwaartse versnelling van 0,56 m/sec2:
waarin wordt voorgesteld door
v: de toegelaten snelheid in km/h,
r: de boogstraal in m.
De Minister kan in door hem te bepalen gevallen grotere zijwaartse versnellingen toestaan.
5. De directie kan voor het doorrijden van bogen als bedoeld in het vierde lid hogere snelheden toestaan, indien aan het materieel en/of de baan bijzondere voorzieningen zijn aangebracht.
6. In of krachtens het in <a href="/wet/BWBR0001848/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6 van de Spoorwegwet</a>bedoelde dienstreglement wordt bepaald of, en in welke mate, de snelheid moet worden verminderd waar zulks voor de veiligheid van het verkeer nodig mocht zijn.
a. 90 km/h voor treinen bestaande uit treinstellen;
b. 60 km/h voor andere treinen indien zij door een metrobestuurder of machinist aan het hoofd van de trein worden bediend.
2. De toegelaten snelheid, ingeval de trein wordt bediend door een metrobestuurder of machinist die zich niet aan het hoofd van de trein bevindt, wordt geregeld in het dienstreglement, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001848/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6 van de Spoorwegwet</a>.
3. Bij proefritten is ten hoogste een snelheid van 120 km/h toegelaten.
4. Behalve bij proefritten is de snelheid zodanig dat voldaan wordt aan het in artikel 52, vijfde lid, bepaalde. Zij mag voorts, behoudens in de in het vijfde lid voorziene gevallen, bij het doorrijden van bogen, waaronder begrepen wisselbogen, niet meer bedragen dan voortvloeit uit onderstaande formule, waarbij is uitgegaan van een grootste zijwaartse versnelling van 0,56 m/sec2:
waarin wordt voorgesteld door
v: de toegelaten snelheid in km/h,
r: de boogstraal in m.
De Minister kan in door hem te bepalen gevallen grotere zijwaartse versnellingen toestaan.
5. De directie kan voor het doorrijden van bogen als bedoeld in het vierde lid hogere snelheden toestaan, indien aan het materieel en/of de baan bijzondere voorzieningen zijn aangebracht.
6. In of krachtens het in <a href="/wet/BWBR0001848/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6 van de Spoorwegwet</a>bedoelde dienstreglement wordt bepaald of, en in welke mate, de snelheid moet worden verminderd waar zulks voor de veiligheid van het verkeer nodig mocht zijn.