BWBR0022817
Geldig vanaf 2009-08-15
Artikel 65a
Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007
1. Bij het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, wordt gebruik gemaakt van een methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze:
a. voor zwaveldioxide niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken;
b. voor stikstofdioxide bij wegen niet meer dan 30 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;
c. voor stikstofdioxide bij inrichtingen niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken;
d. voor ‘zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10) niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties en voor PM10 niet meer dan een factor twee van de werkelijke vierentwintig-uurgemiddelde concentraties afwijken;
e. voor lood niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;
f. voor koolmonoxide niet meer dan 50 procent van de werkelijke acht-uurgemiddelde concentraties afwijken;
g. voor benzeen niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;
h. voor arseen, cadmium en nikkel niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;
i. voor totaal gasvormig kwik niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;
j. voor benzo(a)pyreen niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;
k. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen, anders dan benzo(a)pyreen niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.
2. Bij het door middel van berekening vaststellen van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen wordt gebruik gemaakt van een methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.
a. voor zwaveldioxide niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken;
b. voor stikstofdioxide bij wegen niet meer dan 30 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;
c. voor stikstofdioxide bij inrichtingen niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken;
d. voor ‘zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10) niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties en voor PM10 niet meer dan een factor twee van de werkelijke vierentwintig-uurgemiddelde concentraties afwijken;
e. voor lood niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;
f. voor koolmonoxide niet meer dan 50 procent van de werkelijke acht-uurgemiddelde concentraties afwijken;
g. voor benzeen niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;
h. voor arseen, cadmium en nikkel niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;
i. voor totaal gasvormig kwik niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;
j. voor benzo(a)pyreen niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken;
k. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen, anders dan benzo(a)pyreen niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.
2. Bij het door middel van berekening vaststellen van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen wordt gebruik gemaakt van een methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 60 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.