BWBR0022817
Geldig vanaf 2009-08-15
Artikel 52
Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007
1. Voor de meting van concentraties van arseen, cadmium en nikkel in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van:
a. de methode beschreven in EN 14902:2005 ‘Ambient air quality – Standard method for the measurement of Pb, Cd, As and Ni in the PM10 fraction of suspended particulate matter’, of
b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.
2. De relatieve meetonzekerheid, bij 95 procent betrouwbaarheid van de onder operationele condities verkregen meetwaarden, voor arseen is kleiner dan of gelijk aan 40 procent voor een vierentwintig-uurgemiddelde waarde van 6 nanogram per kubieke meter.
3. De relatieve meetonzekerheid, bij 95 procent betrouwbaarheid van de onder operationele condities verkregen meetwaarden, voor cadmium is kleiner dan of gelijk aan 40 procent voor een vierentwintig-uurgemiddelde waarde van 5 nanogram per kubieke meter.
4. De relatieve meetonzekerheid, bij 95 procent betrouwbaarheid van de onder operationele condities verkregen meetwaarden, voor nikkel is kleiner dan of gelijk aan 40 procent voor een vierentwintig-uurgemiddelde waarde van 20 nanogram per kubieke meter.
5. Voor het bepalen van de relatieve meetonzekerheid, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, wordt gebruik gemaakt van de methode, genoemd in het eerste lid, onder a.
a. de methode beschreven in EN 14902:2005 ‘Ambient air quality – Standard method for the measurement of Pb, Cd, As and Ni in the PM10 fraction of suspended particulate matter’, of
b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.
2. De relatieve meetonzekerheid, bij 95 procent betrouwbaarheid van de onder operationele condities verkregen meetwaarden, voor arseen is kleiner dan of gelijk aan 40 procent voor een vierentwintig-uurgemiddelde waarde van 6 nanogram per kubieke meter.
3. De relatieve meetonzekerheid, bij 95 procent betrouwbaarheid van de onder operationele condities verkregen meetwaarden, voor cadmium is kleiner dan of gelijk aan 40 procent voor een vierentwintig-uurgemiddelde waarde van 5 nanogram per kubieke meter.
4. De relatieve meetonzekerheid, bij 95 procent betrouwbaarheid van de onder operationele condities verkregen meetwaarden, voor nikkel is kleiner dan of gelijk aan 40 procent voor een vierentwintig-uurgemiddelde waarde van 20 nanogram per kubieke meter.
5. Voor het bepalen van de relatieve meetonzekerheid, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, wordt gebruik gemaakt van de methode, genoemd in het eerste lid, onder a.