BWBR0022817
Geldig vanaf 2009-08-15
Artikel 36
Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007
1. Voor de monsterneming en en voor de meting van concentraties van zwevende deeltjes (PM 10) in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van:
a. de methode beschreven in EN 12341:2014 ‘Ambient Air – standard gravimetric measurement method for the determination of the PM10 or PM2,5mass concentration of suspended particulate matter’;
b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de, met gebruikmaking van de onder a genoemde methode, verkregen resultaten, of
c. een andere methode die een constante samenhang heeft met de onder a genoemde methode. Op de met deze methode verkregen resultaten wordt een correctiefactor toegepast, teneinde resultaten te verkrijgen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.
2. De relatieve meetonzekerheid, bij 95 procent betrouwbaarheid van de onder operationele condities verkregen meetwaarden, voor zwevende deeltjes (PM 10) is kleiner dan of gelijk aan 25 procent voor een vierentwintig-uurgemiddelde waarde van 50 microgram per kubieke meter.
3. Voor het bepalen van de relatieve meetonzekerheid, bedoeld in het tweede lid, wordt gebruik gemaakt van de methode beschreven in EN 14907:2005 ‘Ambient air quality – Standard gravimetric measurement method for the determination of the PM 2,5mass fraction of suspended particulate matter’.
a. de methode beschreven in EN 12341:2014 ‘Ambient Air – standard gravimetric measurement method for the determination of the PM10 or PM2,5mass concentration of suspended particulate matter’;
b. een andere methode met behulp waarvan resultaten kunnen worden verkregen die gelijkwaardig zijn aan de, met gebruikmaking van de onder a genoemde methode, verkregen resultaten, of
c. een andere methode die een constante samenhang heeft met de onder a genoemde methode. Op de met deze methode verkregen resultaten wordt een correctiefactor toegepast, teneinde resultaten te verkrijgen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten, verkregen met gebruikmaking van de onder a genoemde methode.
2. De relatieve meetonzekerheid, bij 95 procent betrouwbaarheid van de onder operationele condities verkregen meetwaarden, voor zwevende deeltjes (PM 10) is kleiner dan of gelijk aan 25 procent voor een vierentwintig-uurgemiddelde waarde van 50 microgram per kubieke meter.
3. Voor het bepalen van de relatieve meetonzekerheid, bedoeld in het tweede lid, wordt gebruik gemaakt van de methode beschreven in EN 14907:2005 ‘Ambient air quality – Standard gravimetric measurement method for the determination of the PM 2,5mass fraction of suspended particulate matter’.