BWBR0022817
Geldig vanaf 2009-08-15
Artikel 3
Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007
1. De Minister stelt door middel van meting op vaste meetpunten in agglomeraties en zones als bedoeld in artikel 5.22 van de wet, de concentraties in de buitenlucht vast van zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM 2,5en PM 10), lood, koolmonoxide en ozon en in agglomeraties als bedoeld in artikel 5.22 van de wet, de concentraties in de buitenlucht van benzo(a)pyreen.
2. De Minister stelt door middel van meting op een vast meetpunt de concentraties in de buitenlucht vast van arseen, cadmium en nikkel.
3. De Minister stelt door middel van indicatieve meting op een vast meetpunt de achtergrondconcentraties in de buitenlucht vast van arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen.
4. Op het meetpunt voor de indicatieve meting van de achtergrondconcentraties van arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen, andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen en totaal gasvormig kwik in de buitenlucht worden gedurende ten minste 14 procent van de tijd in een kalenderjaar de achtergrondconcentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats.
5. De Minister stelt door middel van indicatieve meting op een vast meetpunt de totale depositie vast van arseen, cadmium, kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen.
6. Op het meetpunt voor de indicatieve meting van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel, benzo(a)pyreen, andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen en totaal gasvormig kwik wordt gedurende ten minste 33 procent van de tijd in een kalenderjaar de totale depositie van die stoffen bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats.
7. De Minister stelt door middel van berekeningen de jaargemiddelde concentraties in de buitenlucht vast van benzeen.
8. Voor zover een ander bestuursorgaan dan de Minister overeenkomstig het bepaalde in deze regeling metingen als bedoeld in het eerste, tweede, derde of vijfde lid verricht, is de Minister daartoe niet verplicht.
2. De Minister stelt door middel van meting op een vast meetpunt de concentraties in de buitenlucht vast van arseen, cadmium en nikkel.
3. De Minister stelt door middel van indicatieve meting op een vast meetpunt de achtergrondconcentraties in de buitenlucht vast van arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen.
4. Op het meetpunt voor de indicatieve meting van de achtergrondconcentraties van arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen, andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen en totaal gasvormig kwik in de buitenlucht worden gedurende ten minste 14 procent van de tijd in een kalenderjaar de achtergrondconcentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats.
5. De Minister stelt door middel van indicatieve meting op een vast meetpunt de totale depositie vast van arseen, cadmium, kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen.
6. Op het meetpunt voor de indicatieve meting van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel, benzo(a)pyreen, andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen en totaal gasvormig kwik wordt gedurende ten minste 33 procent van de tijd in een kalenderjaar de totale depositie van die stoffen bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats.
7. De Minister stelt door middel van berekeningen de jaargemiddelde concentraties in de buitenlucht vast van benzeen.
8. Voor zover een ander bestuursorgaan dan de Minister overeenkomstig het bepaalde in deze regeling metingen als bedoeld in het eerste, tweede, derde of vijfde lid verricht, is de Minister daartoe niet verplicht.