BWBR0020764
Geldig vanaf 01-01-2007
Artikel 3:30
Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010
1. Als vorderingen in de vorm van aandelen in een instelling voor collectieve belegging voldoen aan de criteria van artikel 2:45 en een financiële onderneming op de hoogte is van alle onderliggende vorderingen van de instelling voor collectieve belegging, kijkt zij door naar de onderliggende vorderingen en berekent de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten van de onderliggende vorderingen, op basis van de IRB-methodieken.
2. Indien aan de voorwaarden van het eerste lid, eerste zinsnede, is voldaan, maar de financiële onderneming IRB niet toe past op de categorie onderliggende vorderingen, worden de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten als volgt berekend:
a. bij vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit, wordt de benadering van artikel 3:27 gehanteerd. Als de financiële onderneming geen onderscheid kan of wil maken tussen posities in ‘niet ter beurze verhandelde’, ‘ter beurze verhandelde’ en ‘overige’ aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen;
b. bij alle overige onderliggende vorderingen wordt de in de hoofdstuk 2 bedoelde standaardbenadering gehanteerd, met dien verstande dat: 1°. de vorderingen in een categorie worden ondergebracht welke leidt tot het risicogewicht van de trap boven de kredietkwaliteitstrap waarin de vordering normaalgesproken zou zijn ondergebracht; en
2°. vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitstrap en normaalgesproken een risicogewicht van 150% zouden krijgen, een risicogewicht van 200% krijgen.
1°. de vorderingen in een categorie worden ondergebracht welke leidt tot het risicogewicht van de trap boven de kredietkwaliteitstrap waarin de vordering normaalgesproken zou zijn ondergebracht; en
2°. vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitstrap en normaalgesproken een risicogewicht van 150% zouden krijgen, een risicogewicht van 200% krijgen.
2. Indien aan de voorwaarden van het eerste lid, eerste zinsnede, is voldaan, maar de financiële onderneming IRB niet toe past op de categorie onderliggende vorderingen, worden de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten als volgt berekend:
a. bij vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit, wordt de benadering van artikel 3:27 gehanteerd. Als de financiële onderneming geen onderscheid kan of wil maken tussen posities in ‘niet ter beurze verhandelde’, ‘ter beurze verhandelde’ en ‘overige’ aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen;
b. bij alle overige onderliggende vorderingen wordt de in de hoofdstuk 2 bedoelde standaardbenadering gehanteerd, met dien verstande dat: 1°. de vorderingen in een categorie worden ondergebracht welke leidt tot het risicogewicht van de trap boven de kredietkwaliteitstrap waarin de vordering normaalgesproken zou zijn ondergebracht; en
2°. vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitstrap en normaalgesproken een risicogewicht van 150% zouden krijgen, een risicogewicht van 200% krijgen.
1°. de vorderingen in een categorie worden ondergebracht welke leidt tot het risicogewicht van de trap boven de kredietkwaliteitstrap waarin de vordering normaalgesproken zou zijn ondergebracht; en
2°. vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitstrap en normaalgesproken een risicogewicht van 150% zouden krijgen, een risicogewicht van 200% krijgen.
- Citeren als
- Art. 3:30
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020764
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl