BWBR0020764
Geldig vanaf 31-10-2010
Artikel 3:12
Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010
1. De in artikel 70, eerste lid, van het Besluit bedoelde toestemming voor een stapsgewijze invoering van de IRB wordt verleend, indien:
a. de financiële onderneming over een uitrolplan beschikt;
b. de financiële onderneming structuren heeft opgezet om de uitrol projectmatig te beheersen, waaronder de maatregel dat de uitrol vanuit een hoog managementniveau binnen de financiële onderneming wordt aangestuurd; en
c. op basis van het uitrolplan en de invulling van de projectstructuur redelijkerwijs kan worden verwacht dat de financiële onderneming binnen een periode van drie jaar alle daarvoor in aanmerking komende vorderingen onder de door haar gekozen vorm van de IRB heeft gebracht.
2. Het in het eerste lid genoemde uitrolplan wordt ter voorafgaande goedkeuring aan DNB voorgelegd en bevat ten minste de volgende gegevens:
a. welke IRB-vorm de financiële onderneming wenst in te voeren;
b. welke volgorde van uitrol de financiële onderneming zal hanteren, zulks onderbouwd vanuit risicomanagement en operationeel oogpunt;
c. wat de inzet van mensen en middelen zal zijn;
d. voor welke bedrijfsonderdelen op welk moment de solvabiliteitsvereisten op basis van de IRB zullen worden berekend; en
e. welke activiteiten, op hoofdlijnen, de financiële onderneming in een specifiek bedrijfsonderdeel nog moet uitvoeren om te kunnen overgaan tot het berekenen van de solvabiliteitsvereisten op basis van de IRB.
3. Voor het volgens de IRB berekenen van de solvabiliteitsvereisten voor een specifiek bedrijfsonderdeel of categorie als bedoeld in artikel 71 van het Besluit, is afzonderlijke toestemming van DNB vereist. Bij het verzoek om deze toestemming worden de in artikel 3:2, eerste lid, onderdelen d en e, bedoelde gegevens verstrekt.
a. de financiële onderneming over een uitrolplan beschikt;
b. de financiële onderneming structuren heeft opgezet om de uitrol projectmatig te beheersen, waaronder de maatregel dat de uitrol vanuit een hoog managementniveau binnen de financiële onderneming wordt aangestuurd; en
c. op basis van het uitrolplan en de invulling van de projectstructuur redelijkerwijs kan worden verwacht dat de financiële onderneming binnen een periode van drie jaar alle daarvoor in aanmerking komende vorderingen onder de door haar gekozen vorm van de IRB heeft gebracht.
2. Het in het eerste lid genoemde uitrolplan wordt ter voorafgaande goedkeuring aan DNB voorgelegd en bevat ten minste de volgende gegevens:
a. welke IRB-vorm de financiële onderneming wenst in te voeren;
b. welke volgorde van uitrol de financiële onderneming zal hanteren, zulks onderbouwd vanuit risicomanagement en operationeel oogpunt;
c. wat de inzet van mensen en middelen zal zijn;
d. voor welke bedrijfsonderdelen op welk moment de solvabiliteitsvereisten op basis van de IRB zullen worden berekend; en
e. welke activiteiten, op hoofdlijnen, de financiële onderneming in een specifiek bedrijfsonderdeel nog moet uitvoeren om te kunnen overgaan tot het berekenen van de solvabiliteitsvereisten op basis van de IRB.
3. Voor het volgens de IRB berekenen van de solvabiliteitsvereisten voor een specifiek bedrijfsonderdeel of categorie als bedoeld in artikel 71 van het Besluit, is afzonderlijke toestemming van DNB vereist. Bij het verzoek om deze toestemming worden de in artikel 3:2, eerste lid, onderdelen d en e, bedoelde gegevens verstrekt.
- Citeren als
- Art. 3:12
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020764
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl