BWBR0020748
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 68
Wet inrichting landelijk gebied
1. Gedeputeerde staten geven op een door hen te bepalen tijdstip aan daartoe door hen aan te wijzen schatters opdracht tot het schatten van:
a. de verandering van de waarde van de onroerende zaken als gevolg van de landinrichting voor iedere eigenaar;
b. de geldelijke verrekeningen tussen de oude en de nieuwe eigenaar bij overgang van onroerende zaken, ten aanzien van: 1°. de waardeverandering, bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid;
2°. de waarde van gebouwen, werken en beplantingen;
3°. de andere dan de agrarische waarde van gronden;
4°. de overige zaken.
1°. de waardeverandering, bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid;
2°. de waarde van gebouwen, werken en beplantingen;
3°. de andere dan de agrarische waarde van gronden;
4°. de overige zaken.
2. Bij de schatting nemen de schatters de regels, bedoeld in artikel 63, in acht.
a. de verandering van de waarde van de onroerende zaken als gevolg van de landinrichting voor iedere eigenaar;
b. de geldelijke verrekeningen tussen de oude en de nieuwe eigenaar bij overgang van onroerende zaken, ten aanzien van: 1°. de waardeverandering, bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid;
2°. de waarde van gebouwen, werken en beplantingen;
3°. de andere dan de agrarische waarde van gronden;
4°. de overige zaken.
1°. de waardeverandering, bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid;
2°. de waarde van gebouwen, werken en beplantingen;
3°. de andere dan de agrarische waarde van gronden;
4°. de overige zaken.
2. Bij de schatting nemen de schatters de regels, bedoeld in artikel 63, in acht.