BWBR0020674
Geldig vanaf 2017-06-26
Artikel 2.2
Besluit inburgering
1. De inburgeringsplicht eindigt niet, indien de vreemdeling direct aansluitend op de periode waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wetinburgeringsplichtig was of op de termijn, bedoeld in artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000heeft verkregen. In deze gevallen wordt de inburgeringsplicht tijdens de termijn, bedoeld in artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, geacht niet te zijn geëindigd.
2. De inburgeringsplicht wordt geacht niet te zijn geëindigd, indien de vreemdeling tussen twee tijdvakken waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wetinburgeringsplichtig was, gedurende een tijdvak van maximaal een jaar:
a. geen ingezetene in de zin van de Wet basisregistratie personen was;
b. in Nederland verbleef voor een tijdelijk doel, of
c. zijn werkzaamheden als geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet heeft onderbroken.
2. De inburgeringsplicht wordt geacht niet te zijn geëindigd, indien de vreemdeling tussen twee tijdvakken waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wetinburgeringsplichtig was, gedurende een tijdvak van maximaal een jaar:
a. geen ingezetene in de zin van de Wet basisregistratie personen was;
b. in Nederland verbleef voor een tijdelijk doel, of
c. zijn werkzaamheden als geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet heeft onderbroken.