BWBR0020611
Geldig vanaf 2017-10-01
Artikel 3
Wet inburgering
1. Inburgeringsplichtig is de vreemdeling, die rechtmatig verblijf verkrijgt in de zin van <a href="/wet/BWBR0011823/artikel/8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8, onderdelen a en c, van de Vreemdelingenwet 2000</a>, die:
a. anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft, of
b. geestelijke bedienaar is.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het voortduren van de inburgeringsplicht in geval van tijdelijke beëindiging van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het tijdelijke doel, bedoeld in het eerste lid, waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij het verblijfsrecht van tijdelijke aard, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011823/artikel/21" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 21, eerste lid, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000</a>.
4. De inburgeringsplicht, bedoeld in het eerste lid, wordt niet met terugwerkende kracht gevestigd.
a. anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft, of
b. geestelijke bedienaar is.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het voortduren van de inburgeringsplicht in geval van tijdelijke beëindiging van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het tijdelijke doel, bedoeld in het eerste lid, waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij het verblijfsrecht van tijdelijke aard, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011823/artikel/21" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 21, eerste lid, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000</a>.
4. De inburgeringsplicht, bedoeld in het eerste lid, wordt niet met terugwerkende kracht gevestigd.