BWBR0020674
Geldig vanaf 2017-06-26
Artikel 6.2
Besluit inburgering
1. De volgende instanties verstrekken ten behoeve van opneming in het Informatiesysteem Inburgering aan de beheerder daarvan uit eigen beweging of op verzoek alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken die bij of krachtens de <a href="/wet/BWBR0020611" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">wet</a>aan die instanties zijn opgedragen:
a. Onze Minister;
b. de rijksbelastingdienst;
c. de cursusinstellingen, bedoeld in artikel 4.1a, vierde lid;
d. de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 4.1a, vierde lid bedoelde keurmerk;
e. het College voor toetsen en examens, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens;
f. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
g. het Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
h. de door Onze Minister aangewezen organisaties die belast zijn met de uitvoering van een internationale diplomawaardering of een indicatie van het onderwijsniveau van een betrokkene ter ondersteuning van de in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b, bedoelde oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt;
i. het college.
2. Onverminderd de gegevensverstrekking, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/47" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 47, tweede lid, van de wet</a>aan Onze Minister, het college, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en de rijksbelastingdienst worden gegevens die zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering slechts ter beschikking gesteld aan:
a. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. de cursusinstellingen, bedoeld in artikel 4.1a, vijfde lid;
c. de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 4.1a, vijfde lid, bedoelde keurmerk.
Deze gegevens worden niet gebruikt voor een ander doel dan genoemd in <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/47" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 47, tweede lid, van de wet</a>.
3. De verstrekking van gegevens met het oog op de evaluatie van bestaand beleid en de voorbereiding van toekomstig beleid, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/47" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 47, tweede lid, onderdeel b, van de wet</a>, geschiedt zodanig dat de gegevens niet kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon.
4. De instanties, genoemd in het eerste lid, verstrekken de gegevens zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee weken na het ontstaan van de noodzaak tot opneming in het Informatiesysteem Inburgering.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen andere instanties worden aangewezen ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde verplichting eveneens geldt of waaraan eveneens gegevens uit het Informatiesysteem Inburgering worden verstrekt.
6. In opdracht van Onze Minister kunnen ten behoeve van het verrichten van rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoeken gegevens uit het Informatiesysteem Inburgering worden verstrekt die kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon. In de rapportages over deze onderzoeken worden geen tot die persoon herleidbare gegevens opgenomen.
a. Onze Minister;
b. de rijksbelastingdienst;
c. de cursusinstellingen, bedoeld in artikel 4.1a, vierde lid;
d. de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 4.1a, vierde lid bedoelde keurmerk;
e. het College voor toetsen en examens, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens;
f. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
g. het Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
h. de door Onze Minister aangewezen organisaties die belast zijn met de uitvoering van een internationale diplomawaardering of een indicatie van het onderwijsniveau van een betrokkene ter ondersteuning van de in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b, bedoelde oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt;
i. het college.
2. Onverminderd de gegevensverstrekking, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/47" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 47, tweede lid, van de wet</a>aan Onze Minister, het college, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en de rijksbelastingdienst worden gegevens die zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering slechts ter beschikking gesteld aan:
a. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. de cursusinstellingen, bedoeld in artikel 4.1a, vijfde lid;
c. de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 4.1a, vijfde lid, bedoelde keurmerk.
Deze gegevens worden niet gebruikt voor een ander doel dan genoemd in <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/47" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 47, tweede lid, van de wet</a>.
3. De verstrekking van gegevens met het oog op de evaluatie van bestaand beleid en de voorbereiding van toekomstig beleid, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020611/artikel/47" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 47, tweede lid, onderdeel b, van de wet</a>, geschiedt zodanig dat de gegevens niet kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon.
4. De instanties, genoemd in het eerste lid, verstrekken de gegevens zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee weken na het ontstaan van de noodzaak tot opneming in het Informatiesysteem Inburgering.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen andere instanties worden aangewezen ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde verplichting eveneens geldt of waaraan eveneens gegevens uit het Informatiesysteem Inburgering worden verstrekt.
6. In opdracht van Onze Minister kunnen ten behoeve van het verrichten van rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoeken gegevens uit het Informatiesysteem Inburgering worden verstrekt die kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon. In de rapportages over deze onderzoeken worden geen tot die persoon herleidbare gegevens opgenomen.