BWBR0020674
Geldig vanaf 2017-06-26
Artikel 7.15
Besluit inburgering
1. De rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van de nieuwe inburgeringsplichtigen wordt berekend met de formule:
A = [ B x C ] + [ D x E] + [F x G] + [H x I]
waarin wordt voorgesteld:
– met de letter A: de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen;
– met de letter B: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen;
– met de letter D: het aantal in de letter B bedoelde nieuwe inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, zoals dit luidde op 31 december 2014;
– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter D;
– met de letter F: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter G: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de duale inburgeringsvoorziening ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen;
– met de letter H: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de taalkennisvoorziening ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen.
2. Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters B, D, F en H van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005416/artikel/186" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 186 van de Gemeentewet</a>, welke betrekking heeft op het jaar 2011. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005416/artikel/213" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet</a>. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering.
3. Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet binnen zesentwintig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008290/artikel/17b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet</a>, heeft ontvangen, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast op nul.
4. Onze Minister stelt de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen uiterlijk dertig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008290/artikel/17b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet</a>, vast.
5. De rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het jaar 2012 dan wel het jaar 2013.
6. De rijksbijdrage wordt verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van de jaren 2007 en 2008. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald.
A = [ B x C ] + [ D x E] + [F x G] + [H x I]
waarin wordt voorgesteld:
– met de letter A: de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen;
– met de letter B: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen;
– met de letter D: het aantal in de letter B bedoelde nieuwe inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, zoals dit luidde op 31 december 2014;
– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter D;
– met de letter F: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter G: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de duale inburgeringsvoorziening ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen;
– met de letter H: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de taalkennisvoorziening ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen.
2. Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters B, D, F en H van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005416/artikel/186" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 186 van de Gemeentewet</a>, welke betrekking heeft op het jaar 2011. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005416/artikel/213" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet</a>. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering.
3. Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet binnen zesentwintig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008290/artikel/17b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet</a>, heeft ontvangen, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast op nul.
4. Onze Minister stelt de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen uiterlijk dertig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008290/artikel/17b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet</a>, vast.
5. De rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het jaar 2012 dan wel het jaar 2013.
6. De rijksbijdrage wordt verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van de jaren 2007 en 2008. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald.