1. Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage voor een gemeente wordt berekend met de formule:
A = ( [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ] + [ N x O ] + [ R x S ] + [ T x U ] + [V x W] + [X x Y] + [Z x AA] + [BB x CC] + DD) x EE
waarin wordt voorgesteld:
– met de letter A: het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage;
– met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
– met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
– met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
– met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter K: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
– met de letter L: het aantal in de letter B bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, zoals dit luidde op 31 december 2014;
– met de letter M: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter L;
– met de letter N: het aantal in de letter D bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, zoals dit luidde op 31 december 2014;
– met de letter O: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter N;
– met de letter R: het aantal in de letter H bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, zoals dit luidde op 31 december 2014;
– met de letter S: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter R;
– met de letter T: het aantal in de letter J bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, zoals dit luidde op 31 december 2014;
– met de letter U: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter T;
– met de letter V: het aantal inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter W: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de duale inburgeringsvoorziening;
– met de letter X: het aantal inburgeringsplichtigen, niet zijnde geestelijke bedienaar, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008, heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
– met de letter Y: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de taalkennisvoorziening;
– met de letter Z: het aantal door het college in 2007 op grond van de Wet inburgering nieuwkomers genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma;
– met de letters AA: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een inburgeringsprogramma als bedoeld in de letter Z;
– met de letters BB: het aantal door het college in 2007 en 2008 ontvangen afschriften, welke betrekking hebben op in 2007 aangevangen inburgeringsprogramma’s, van door het bevoegd gezag van een instelling ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 december 2006;
– met de letters CC: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een verklaring als bedoeld in de letters BB;
– met de letters DD: het bedrag, bedoeld in artikel 9.3, derde lid;
– met de letters EE: de door Onze Minister vast te stellen correctiefactor.
2. Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters B, D, H, J, L, N, R, T, V en X van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in
artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar 2011. Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters Z en BB van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in
artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar 2008. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in
artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering.
3. Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor binnen zesentwintig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in
artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswetheeft ontvangen, stelt Onze Minister de hoogte van de letters B, D, H, J, L, N, R, T, V en X, respectievelijk de letters Z en BB in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op nul.
4. Onze Minister stelt het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage uiterlijk dertig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in
artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet, welke betrekking heeft op de jaarrekening van het jaar 2011, vast.
5. Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het jaar 2012 dan wel het jaar 2013.
6. Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van de jaren 2007 en 2008. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald.