BWBR0012701
Geldig vanaf 2002-01-01
Artikel 8
Tijdelijke referendumwet
1. Een provinciaal referendum, onderscheidenlijk een gemeentelijk referendum, kan worden gehouden over:
a. een besluit van provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift dan wel de intrekking daarvan;
b. een besluit van provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad, als bedoeld in artikel 151, eerste lid, van de Provinciewet, onderscheidenlijk artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet;
c. een besluit van provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad, als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Provinciewet, onderscheidenlijk artikel 158, eerste lid, van de Gemeentewet;
d. een besluit van provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad, als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, 40, eerste en derde lid, 51, eerste en derde lid, 61, eerste en derde lid, 73, eerste en derde lid, 83, eerste en derde lid, en 96, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
2. Een gemeentelijk referendum kan voorts worden gehouden over een besluit van de gemeenteraad als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005416/artikel/283" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 283, derde lid, onder a, van de Gemeentewet</a>.
3. Geen referendum kan worden gehouden over een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid, indien:
a. het besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties;
b. het besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een wet of besluit voorzover die wet of dat besluit strekt tot uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties;
c. provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad, bij het nemen van het besluit geen ruimte hebben voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard;
d. het een algemeen verbindend voorschrift betreft dat onderdeel uitmaakt van een bestemmingsplan;
e. het besluit uitsluitend strekt tot intrekking van een besluit naar aanleiding van een daarover gehouden referendum.
4. Provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad, kunnen bij verordening bepalen dat geen referendum kan worden gehouden over de hierna genoemde besluiten:
a. besluiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, die uitsluitend betrekking hebben op: 1°. de rechtspositie van ambtsdragers of gewezen ambtsdragers als zodanig dan wel hun nagelaten betrekkingen of hun rechthebbenden;
2°. de provinciale belastingen, bedoeld in hoofdstuk XV van de Provinciewet, onderscheidenlijk de gemeentelijke belastingen, bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;
1°. de rechtspositie van ambtsdragers of gewezen ambtsdragers als zodanig dan wel hun nagelaten betrekkingen of hun rechthebbenden;
2°. de provinciale belastingen, bedoeld in hoofdstuk XV van de Provinciewet, onderscheidenlijk de gemeentelijke belastingen, bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;
b. besluiten als bedoeld in het eerste lid, onder b;
c. besluiten als bedoeld in het eerste lid, onder d.
a. een besluit van provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift dan wel de intrekking daarvan;
b. een besluit van provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad, als bedoeld in artikel 151, eerste lid, van de Provinciewet, onderscheidenlijk artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet;
c. een besluit van provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad, als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Provinciewet, onderscheidenlijk artikel 158, eerste lid, van de Gemeentewet;
d. een besluit van provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad, als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, 40, eerste en derde lid, 51, eerste en derde lid, 61, eerste en derde lid, 73, eerste en derde lid, 83, eerste en derde lid, en 96, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
2. Een gemeentelijk referendum kan voorts worden gehouden over een besluit van de gemeenteraad als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005416/artikel/283" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 283, derde lid, onder a, van de Gemeentewet</a>.
3. Geen referendum kan worden gehouden over een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid, indien:
a. het besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties;
b. het besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een wet of besluit voorzover die wet of dat besluit strekt tot uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties;
c. provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad, bij het nemen van het besluit geen ruimte hebben voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard;
d. het een algemeen verbindend voorschrift betreft dat onderdeel uitmaakt van een bestemmingsplan;
e. het besluit uitsluitend strekt tot intrekking van een besluit naar aanleiding van een daarover gehouden referendum.
4. Provinciale staten, onderscheidenlijk de gemeenteraad, kunnen bij verordening bepalen dat geen referendum kan worden gehouden over de hierna genoemde besluiten:
a. besluiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, die uitsluitend betrekking hebben op: 1°. de rechtspositie van ambtsdragers of gewezen ambtsdragers als zodanig dan wel hun nagelaten betrekkingen of hun rechthebbenden;
2°. de provinciale belastingen, bedoeld in hoofdstuk XV van de Provinciewet, onderscheidenlijk de gemeentelijke belastingen, bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;
1°. de rechtspositie van ambtsdragers of gewezen ambtsdragers als zodanig dan wel hun nagelaten betrekkingen of hun rechthebbenden;
2°. de provinciale belastingen, bedoeld in hoofdstuk XV van de Provinciewet, onderscheidenlijk de gemeentelijke belastingen, bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;
b. besluiten als bedoeld in het eerste lid, onder b;
c. besluiten als bedoeld in het eerste lid, onder d.