BWBR0012701
Geldig vanaf 2002-01-01
Artikel 4
Tijdelijke referendumwet
1. In de in deze wet omschreven gevallen wordt een gemeentelijk referendum gehouden, indien na een inleidend verzoek van ten minste het in het tweede lid bepaalde aantal kiesgerechtigden ten minste het in het derde lid bepaalde aantal kiesgerechtigden daartoe bij een definitief verzoek de wens kenbaar heeft gemaakt.
2. Voor een inleidend verzoek is vereist dat een verzoek wordt gedaan:
a. in gemeenten met minder dan 20 001 kiesgerechtigden, door 1 procent van de kiesgerechtigden met dien verstande dat dit getal niet lager ligt dan 50 en niet hoger dan 125 kiesgerechtigden;
b. in gemeenten met 20 001–40 000 kiesgerechtigden, door 0,7 procent van de kiesgerechtigden met dien verstande dat dit getal niet hoger ligt dan 200 kiesgerechtigden;
c. in gemeenten met 40 001–100 000 kiesgerechtigden, door 0,5 procent van de kiesgerechtigden met dien verstande dat dit getal niet hoger ligt dan 300 kiesgerechtigden;
d. in gemeenten met 100 001 of meer kiesgerechtigden, door 1/3 procent van de kiesgerechtigden.
3. Voor een definitief verzoek is vereist dat het inleidend verzoek ondersteund wordt:
a. in gemeenten met minder dan 20 001 kiesgerechtigden, door 10 procent van de kiesgerechtigden met dien verstande dat dit getal niet lager ligt dan 200 en niet hoger dan 1250 kiesgerechtigden;
b. in gemeenten met 20 001–40 000 kiesgerechtigden, door 7 procent van de kiesgerechtigden met dien verstande dat dit getal niet hoger ligt dan 2250 kiesgerechtigden;
c. in gemeenten met 40 001–100 000 kiesgerechtigden, door 6 procent van de kiesgerechtigden met dien verstande dat dit getal niet hoger ligt dan 5000 kiesgerechtigden;
d. in gemeenten met 100 001 of meer kiesgerechtigden, door 5 procent van de kiesgerechtigden.
2. Voor een inleidend verzoek is vereist dat een verzoek wordt gedaan:
a. in gemeenten met minder dan 20 001 kiesgerechtigden, door 1 procent van de kiesgerechtigden met dien verstande dat dit getal niet lager ligt dan 50 en niet hoger dan 125 kiesgerechtigden;
b. in gemeenten met 20 001–40 000 kiesgerechtigden, door 0,7 procent van de kiesgerechtigden met dien verstande dat dit getal niet hoger ligt dan 200 kiesgerechtigden;
c. in gemeenten met 40 001–100 000 kiesgerechtigden, door 0,5 procent van de kiesgerechtigden met dien verstande dat dit getal niet hoger ligt dan 300 kiesgerechtigden;
d. in gemeenten met 100 001 of meer kiesgerechtigden, door 1/3 procent van de kiesgerechtigden.
3. Voor een definitief verzoek is vereist dat het inleidend verzoek ondersteund wordt:
a. in gemeenten met minder dan 20 001 kiesgerechtigden, door 10 procent van de kiesgerechtigden met dien verstande dat dit getal niet lager ligt dan 200 en niet hoger dan 1250 kiesgerechtigden;
b. in gemeenten met 20 001–40 000 kiesgerechtigden, door 7 procent van de kiesgerechtigden met dien verstande dat dit getal niet hoger ligt dan 2250 kiesgerechtigden;
c. in gemeenten met 40 001–100 000 kiesgerechtigden, door 6 procent van de kiesgerechtigden met dien verstande dat dit getal niet hoger ligt dan 5000 kiesgerechtigden;
d. in gemeenten met 100 001 of meer kiesgerechtigden, door 5 procent van de kiesgerechtigden.