BWBR0009237
Geldig vanaf 1997-12-26
Artikel 3.9.7
Voorschriften meetmiddelen 1997
1. De sonde waarmee een monster van de uitlaatgassen kan worden genomen, moet lang genoeg zijn om een insteekdiepte van ten minste 30 cm mogelijk te maken, en moet zijn voorzien van een inrichting om de positie van de sonde ten opzichte van de uitlaat te fixeren. De sonde bestaat uit een over een voldoende lengte flexibele pijp met een uitwendige diameter van ten hoogste 10 mm. De leidingen moeten zijn vervaardigd uit een materiaal dat insnoeringen onmogelijk maakt en een lengte hebben van ten minste 3 m (de sonde niet inbegrepen).
2. Het gehele monsternamesysteem moet lekdicht zijn.
2. Het gehele monsternamesysteem moet lekdicht zijn.