BWBR0009237
Geldig vanaf 1997-12-26
Artikel 3.4.3
Voorschriften meetmiddelen 1997
De manometer moet voldoen aan de volgende eisen:
a. de gemeten druk moet worden weergegeven in Pascal (Pa) of in bar;
b. de gemeten waarde moet door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk afleesbaar en duidelijk worden aangegeven;
c. de maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen druk bedraagt: 1º in geval van een aanwijsinrichting: voor nieuwe manometers: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%; voor manometers die in gebruik zijn: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%;
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
2º in geval van een registratie-inrichting: voor nieuwe manometers: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%; voor manometers die in gebruik zijn: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%.
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%;
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%.
1º in geval van een aanwijsinrichting: voor nieuwe manometers: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%; voor manometers die in gebruik zijn: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%;
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
2º in geval van een registratie-inrichting: voor nieuwe manometers: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%; voor manometers die in gebruik zijn: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%.
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%;
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%.
d. indien gelijktijdig met de registratie van de druk door middel van dezelfde registratie-inrichting een registratie van de remvertraging of remkracht plaatsvindt, mag in de registratie van gelijktijdige veranderingen in de betrokken meetsignalen, geen tijdverschil optreden waardoor een goede beoordeling van het remsysteem van het voertuig wordt belemmerd.
a. de gemeten druk moet worden weergegeven in Pascal (Pa) of in bar;
b. de gemeten waarde moet door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk afleesbaar en duidelijk worden aangegeven;
c. de maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen druk bedraagt: 1º in geval van een aanwijsinrichting: voor nieuwe manometers: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%; voor manometers die in gebruik zijn: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%;
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
2º in geval van een registratie-inrichting: voor nieuwe manometers: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%; voor manometers die in gebruik zijn: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%.
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%;
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%.
1º in geval van een aanwijsinrichting: voor nieuwe manometers: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%; voor manometers die in gebruik zijn: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%;
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
2º in geval van een registratie-inrichting: voor nieuwe manometers: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%; voor manometers die in gebruik zijn: I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%.
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar), en
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%;
I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%.
d. indien gelijktijdig met de registratie van de druk door middel van dezelfde registratie-inrichting een registratie van de remvertraging of remkracht plaatsvindt, mag in de registratie van gelijktijdige veranderingen in de betrokken meetsignalen, geen tijdverschil optreden waardoor een goede beoordeling van het remsysteem van het voertuig wordt belemmerd.