BWBR0009237
Geldig vanaf 1997-12-26
Artikel 3.1.10
Voorschriften meetmiddelen 1997
1. De roetmeter moet zijn voorzien van een interne of externe afdruk-inrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:
a. de datum en het tijdstip waarop de metingen worden uitgevoerd en, indien de justering niet automatisch vóór elke meetcyclus plaatsvindt, de datum en het tijdstip waarop de laatste justering heeft plaatsgevonden;
b. de informatie van het desbetreffende voertuig: 1º de minimale en maximale waarde van het stationair toerental;
2º de minimale en maximale waarde van het afregeltoerental;
3º de maximale waarde van de absorptiecoëfficiënt;
4º de minimale waarde van de motorolietemperatuur;
1º de minimale en maximale waarde van het stationair toerental;
2º de minimale en maximale waarde van het afregeltoerental;
3º de maximale waarde van de absorptiecoëfficiënt;
4º de minimale waarde van de motorolietemperatuur;
c. de uitgangspunten: 1º soort meetsonde: opgave volgens handleiding roetmeter;
2º de aanduiding van de functiestand, indien dit niet de functiestand CONTROLE of PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) is;
1º soort meetsonde: opgave volgens handleiding roetmeter;
2º de aanduiding van de functiestand, indien dit niet de functiestand CONTROLE of PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) is;
d. de meetresultaten van de geldige meetcycli: 1º de gemiddelde waarde van het stationaire toerental, gedurende de laatste vijf seconden voor het gasgeven;
2º de gemiddelde waarde van het afregeltoerental;
3º de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt;
4º de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken als bedoeld in artikel 3.1.3, onderdeel e.
1º de gemiddelde waarde van het stationaire toerental, gedurende de laatste vijf seconden voor het gasgeven;
2º de gemiddelde waarde van het afregeltoerental;
3º de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt;
4º de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken als bedoeld in artikel 3.1.3, onderdeel e.
2. Indien de meting, ongeacht de reden, vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.
3. Andere informatie, dan bedoeld in het eerste of tweede lid, mag worden geregistreerd voorzover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
a. de datum en het tijdstip waarop de metingen worden uitgevoerd en, indien de justering niet automatisch vóór elke meetcyclus plaatsvindt, de datum en het tijdstip waarop de laatste justering heeft plaatsgevonden;
b. de informatie van het desbetreffende voertuig: 1º de minimale en maximale waarde van het stationair toerental;
2º de minimale en maximale waarde van het afregeltoerental;
3º de maximale waarde van de absorptiecoëfficiënt;
4º de minimale waarde van de motorolietemperatuur;
1º de minimale en maximale waarde van het stationair toerental;
2º de minimale en maximale waarde van het afregeltoerental;
3º de maximale waarde van de absorptiecoëfficiënt;
4º de minimale waarde van de motorolietemperatuur;
c. de uitgangspunten: 1º soort meetsonde: opgave volgens handleiding roetmeter;
2º de aanduiding van de functiestand, indien dit niet de functiestand CONTROLE of PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) is;
1º soort meetsonde: opgave volgens handleiding roetmeter;
2º de aanduiding van de functiestand, indien dit niet de functiestand CONTROLE of PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) is;
d. de meetresultaten van de geldige meetcycli: 1º de gemiddelde waarde van het stationaire toerental, gedurende de laatste vijf seconden voor het gasgeven;
2º de gemiddelde waarde van het afregeltoerental;
3º de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt;
4º de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken als bedoeld in artikel 3.1.3, onderdeel e.
1º de gemiddelde waarde van het stationaire toerental, gedurende de laatste vijf seconden voor het gasgeven;
2º de gemiddelde waarde van het afregeltoerental;
3º de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt;
4º de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken als bedoeld in artikel 3.1.3, onderdeel e.
2. Indien de meting, ongeacht de reden, vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.
3. Andere informatie, dan bedoeld in het eerste of tweede lid, mag worden geregistreerd voorzover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.