BWBR0009237
Geldig vanaf 1997-12-26
Artikel 1.13
Voorschriften meetmiddelen 1997
1. Indien in de specifieke eisen van hoofdstuk 3een controle-inrichting is voorgeschreven, moet de werking en het resultaat van deze inrichting overeenstemmen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, moet bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder worden overgelegd.
2. De maximale fouten, genoemd in hoofdstuk 3gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.
3. Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, mag een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer bedragen dan de waarde van de maximale fout, genoemd in hoofdstuk 3. Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan indien de verstoring tot gevolg heeft dat:
a. het meetresultaat niet kan worden vastgesteld, of
b. het meetresultaat een zodanige fout vertoont dat de gebruiker onontkoombaar de ongeldigheid van de meting zal opmerken.
4. De vastgelegde gebruiksomstandigheden voor de omgevingstemperatuur omvatten het temperatuurgebied van –10 °C tot 40 °C. Het genoemde temperatuurgebied mag beperkt zijn tot het gebied van ten minste 5 °C tot 40 °C.
5. Bij het onderzoek voor de typekeuring moet de aanbieder een schriftelijke verklaring overleggen waarin wordt bevestigd dat het meetmiddel voldoet aan de gestelde eisen. Tevens moet hij daarbij een opgave doen van de periode waarover het meetmiddel, bij normaal gebruik en bij correcte uitvoering van eventuele door de gebruiker te verrichten justeringen, wordt verwacht te voldoen aan de eisen met betrekking tot de maximale fout.
2. De maximale fouten, genoemd in hoofdstuk 3gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.
3. Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, mag een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer bedragen dan de waarde van de maximale fout, genoemd in hoofdstuk 3. Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan indien de verstoring tot gevolg heeft dat:
a. het meetresultaat niet kan worden vastgesteld, of
b. het meetresultaat een zodanige fout vertoont dat de gebruiker onontkoombaar de ongeldigheid van de meting zal opmerken.
4. De vastgelegde gebruiksomstandigheden voor de omgevingstemperatuur omvatten het temperatuurgebied van –10 °C tot 40 °C. Het genoemde temperatuurgebied mag beperkt zijn tot het gebied van ten minste 5 °C tot 40 °C.
5. Bij het onderzoek voor de typekeuring moet de aanbieder een schriftelijke verklaring overleggen waarin wordt bevestigd dat het meetmiddel voldoet aan de gestelde eisen. Tevens moet hij daarbij een opgave doen van de periode waarover het meetmiddel, bij normaal gebruik en bij correcte uitvoering van eventuele door de gebruiker te verrichten justeringen, wordt verwacht te voldoen aan de eisen met betrekking tot de maximale fout.