BWBR0008477
Geldig vanaf 1997-01-01
Artikel 15
Regeling contingentering zeevis
1. De minister kan de ondernemer die meer dan één vissersvaartuig in eigendom heeft, op diens verzoek toestaan het totaal van de voor zijn vissersvaartuigen toegekende contingenten van dezelfde vissoort samen te voegen tot een rederijcontingent, en op andere wijze met die vissersvaartuigen te vissen, aan te landen, aan boord te houden, dan ingevolge de artikelen 2 tot en met 6is toegestaan.
2. De minister verleent slechts de toestemming, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de contingenten van de desbetreffende vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort nog niet voor 90% zijn opgevist, dan wel niet als gevolg van de korting overeenkomstig artikel 23 zijn vastgesteld op nul op het moment van ontvangst van het verzoek;
b. hij de vrijstelling nog niet heeft ingetrokken, en
c. het verzoek, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op alle aan de ondernemer toegekende contingenten van de desbetreffende vissoort en – voorzover het contingenten van een aanverwante vissoort betreft – op alle aan de ondernemer toegekende contingenten van de in de bijlage, onderdeel b, bij de desbetreffende aanverwante vissoort genoemde vissoort.
3. De samenvoeging van contingenten als bedoeld in het eerste lid, geldt voor het kalenderjaar. De minister kan echter toestemming verlenen één of meer van de samengevoegde contingenten van een vissoort aan het samengevoegde contingent te onttrekken in het geval van:
a. definitieve bedrijfsbeëindiging;
b. faillissement van de ondernemer, of
c. overdracht van één of meer van de desbetreffende vissersvaartuigen.
4. Indien een ondernemer aan wie de toestemming, bedoeld in het eerste lid, is verleend, gedurende het kalenderjaar een contingent van dezelfde vissoort waarvan contingenten zijn ingebracht in het desbetreffende rederijcontingent, verwerft, wordt dit contingent toegevoegd aan de reeds ingevolge het eerste lid samengevoegde contingenten, tenzij het desbetreffende rederijcontingent van die vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort voor meer dan 90% is opgevist.
2. De minister verleent slechts de toestemming, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de contingenten van de desbetreffende vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort nog niet voor 90% zijn opgevist, dan wel niet als gevolg van de korting overeenkomstig artikel 23 zijn vastgesteld op nul op het moment van ontvangst van het verzoek;
b. hij de vrijstelling nog niet heeft ingetrokken, en
c. het verzoek, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op alle aan de ondernemer toegekende contingenten van de desbetreffende vissoort en – voorzover het contingenten van een aanverwante vissoort betreft – op alle aan de ondernemer toegekende contingenten van de in de bijlage, onderdeel b, bij de desbetreffende aanverwante vissoort genoemde vissoort.
3. De samenvoeging van contingenten als bedoeld in het eerste lid, geldt voor het kalenderjaar. De minister kan echter toestemming verlenen één of meer van de samengevoegde contingenten van een vissoort aan het samengevoegde contingent te onttrekken in het geval van:
a. definitieve bedrijfsbeëindiging;
b. faillissement van de ondernemer, of
c. overdracht van één of meer van de desbetreffende vissersvaartuigen.
4. Indien een ondernemer aan wie de toestemming, bedoeld in het eerste lid, is verleend, gedurende het kalenderjaar een contingent van dezelfde vissoort waarvan contingenten zijn ingebracht in het desbetreffende rederijcontingent, verwerft, wordt dit contingent toegevoegd aan de reeds ingevolge het eerste lid samengevoegde contingenten, tenzij het desbetreffende rederijcontingent van die vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort voor meer dan 90% is opgevist.