BWBR0008477
Geldig vanaf 1997-01-01
Artikel 4
Regeling contingentering zeevis
1. Het is verboden met een vissersvaartuig waarvan het toegekende contingent van een vissoort met andere contingenten van die vissoort is samengevoegd tot een groepscontingent, in het voor die vissoort aangewezen vangstgebied op de desbetreffende vissoort te vissen, dan wel die vissoort uit dat gebied aan te landen of aan boord te houden, indien het groepscontingent is opgevist.
2. Het is verboden met een vissersvaartuig waarvan de toegekende contingenten tong en schol met andere contingenten van die vissoorten zijn samengevoegd tot een groepscontingent, op tong in het vangstgebied te vissen, dan wel tong uit dat gebied aan te landen of aan boord te houden, indien het groepscontingent schol is opgevist.
3. Het is verboden met een vissersvaartuig waarvan de toegekende contingenten kabeljauw en wijting met andere contingenten van die vissoorten zijn samengevoegd tot een groepscontingent, op kabeljauw in het vangstgebied te vissen, dan wel kabeljauw uit dat gebied aan te landen of aan boord te houden, indien het groepscontingent wijting is opgevist.
2. Het is verboden met een vissersvaartuig waarvan de toegekende contingenten tong en schol met andere contingenten van die vissoorten zijn samengevoegd tot een groepscontingent, op tong in het vangstgebied te vissen, dan wel tong uit dat gebied aan te landen of aan boord te houden, indien het groepscontingent schol is opgevist.
3. Het is verboden met een vissersvaartuig waarvan de toegekende contingenten kabeljauw en wijting met andere contingenten van die vissoorten zijn samengevoegd tot een groepscontingent, op kabeljauw in het vangstgebied te vissen, dan wel kabeljauw uit dat gebied aan te landen of aan boord te houden, indien het groepscontingent wijting is opgevist.