Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2014-11-14
ECLI:NL:CRVB:2014:3742
Bestuursrecht
14/4630 AWW, 14/4631 AWW-VV Datum uitspraak: 14 november 2014 Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 juli 2014, 13/5243 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 13 augustus 2014 Partijen: [Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Namens verzoekster heeft A.A. Creton hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en tevens een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2014. Verzoekster is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde A.A. Creton. De Svb heeft zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - wijst het verzoek om schadevergoeding af; - wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2014. (getekend) M.M. van der Kade (getekend) M. Crum NK 1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.2. Bij besluit van 29 oktober 1996 heeft de Svb de uitkering van verzoekster op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) met ingang van 1 januari 1994 ingetrokken omdat zij op 27 december 1994 (lees: 27 december 1993) in Egypte in het huwelijk is getreden. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 20 juni 1997 ongegrond verklaard. De procedure die daarop is gevolgd, heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 11 april 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB1784. In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat hij, op grond van het op verzoek van de Raad uitgebrachte advies van het Internationaal Juridisch Instituut, van oordeel is dat de Svb naar aanleiding van de overgelegde huwelijksakte, ingeschreven onder nr. 504, kon uitgaan van het bestaan van een op 27 december 1993 tussen verzoekster en [naam] gesloten huwelijk. Aangezien niet is gebleken van evidente gebreken in de inhoud en de wijze van totstandkoming van de huwelijksakte stond het de Svb vrij op grond van het rechtsgeldig gesloten huwelijk het AWW-pensioen van verzoekster in te trekken. 1.3. Verzoekster heeft drie keer eerder de Svb verzocht om terug te komen van het besluit van 29 oktober 1996. De Svb heeft deze verzoeken afgewezen. De daaropvolgende procedures hebben geleid tot de uitspraken van de Raad van 19 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH5806, van 28 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010: BN2791 en van 15 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4681. Hierin heeft de Raad geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en dat ook overigens niet gezegd kan worden dat de Svb niet in redelijkheid tot het in die zaken bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel, zodat de Svb bevoegd was om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid van de Awb het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar het besluit van 29 oktober 1996. 1.4. Dit geding heeft ook betrekking op een verzoek van verzoekster aan de Svb om terug te komen van het besluit van 29 oktober 1996 dan wel het besluit van 20 juni 1997. Bij besluit van 29 juli 2013 is dit verzoek van 5 juli 2013 onder verwijzing naar deze besluiten afgewezen. 1.5. In de beslissing op bezwaar van 25 november 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2013 ongegrond verklaard omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht op grond waarvan een andere beslissing kan worden genomen. Tevens zijn de besluiten van 29 oktober 1996 dan wel 20 juni 1997 - mede rekening houdend met de uitspraken van de Raad - niet onmiskenbaar onjuist geacht. 2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. 3. Verzoekster heeft in deze procedure - samengevat - naar voren gebracht dat het besluit van 29 oktober 1996 op een ondeugdelijke grondslag berust. De intrekking van haar nabestaandenuitkering wegens het bestaan van een rechtsgeldig huwelijk is gebaseerd op een niet gelegaliseerd buitenlands document, welke akte geen bewijskracht voor het bestaan van een rechtsgeldig huwelijk heeft indien het zou gaan om de beoordeling van een recht op een nabestaandenuitkering. Ook de gemeente accepteert een dergelijke akte niet bij inschrijving van een huwelijk in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Verzoekster is ook nog steeds als “weduwe” in de GBA van haar gemeente opgenomen. De grond om de uitkering in te trekken is dan ook gebaseerd op een inconsequente redenering. Nu deze huwelijksakte wel wordt geaccepteerd voor de intrekking van de uitkering en niet bij een toekenning heeft de Svb gehandeld in strijd met het in de artikelen 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) neergelegde discriminatieverbod. Tevens is een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen weduwen met een uitkering voor en op 1 januari 1994 en verzoekster omdat andere weduwen wel hun uitkering hebben behouden. Voorts is door de intrekking van haar nabestaandenuitkering een ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het EP. Nu de Svb genoemde verdragsbepalingen heeft geschonden, dient de Svb de besluitvorming met volledige terugwerkende kracht te herzien. Door de terughoudende wijze van toetsing op grond van artikel 4:6 van de Awb wordt verzoekster effectieve rechtsbescherming onthouden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het IVBPR en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Voorts wordt verzocht om vergoeding van de geleden schade. 4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4.2. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Verzoekster en de Svb zijn in de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen. 4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. 4.4. Mede onder verwijzing naar de onder 1.3 genoemde uitspraken van de Raad wordt geoordeeld dat met hetgeen door verzoekster naar voren is gebracht en aan stukken is ingebracht, niet is voldaan aan het in artikel 4:6 van de Awb gestelde vereiste van “nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden”, nu deze argumenten naar voren hadden kunnen en moeten worden ingebracht in de eerdere procedure tegen de besluiten van 29 oktober 1996 en 20 juni 1997. De Svb was derhalve wat betreft het verleden bevoegd om het verzoek om herziening van 5 juli 2013 onder verwijzing naar de eerdere besluiten van 29 oktober 1996 en 20 juni 1997 af te wijzen. 4.5. Wat betreft de periode na het verzoek om herziening moet nu een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Bij een duuraanspraak als een nabestaandenuitkering zal het in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte de uitkering is ingetrokken, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden. 4.6. Met betrekking tot het, in verband met de beweerde inconsequente redenering van de Svb, gedane beroep op de in de diverse verdragen neergelegde discriminatieverboden wordt allereerst verwezen naar de in 1.3 genoemde uitspraak van 15 maart 2013. In die uitspraak is - kort gezegd - overwogen dat een gelegaliseerde huwelijksakte geen vereiste is als bewijs voor het in aanmerking nemen van een huwelijk in de zin van de AWW en de Algemene nabestaandenwet (ANW), omdat binnen die wetgeving enkel sprake dient te zijn van een huwelijk dat rechtsgeldig is gesloten.