BWBR0038602
Geldig vanaf 2016-10-11
Artikel 7
Algemeen besluit erkenning EU-beroepskwalificaties
1. In geval van gegronde twijfel kan Onze minister die het aangaat de andere betrokken staat, bedoeld in artikel 6, eerste lid, verzoeken om binnen twee weken aanvullende informatie, dan wel een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een document te verstrekken. Onze minister die het aangaat verzoekt niet om documenten die reeds zijn opgenomen in het IMI-bestand, voor zover deze documenten nog steeds geldig zijn.
2. De beslistermijn, bedoeld in artikel 6, derde lid, wordt niet opgeschort door een verzoek om aanvullende informatie of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift als bedoeld in het eerste lid.
3. Indien Onze minister die het aangaat van de andere betrokken staat of de aanvrager niet de informatie als bedoeld in het eerste lid, of andere op grond van de wetof Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983 vereiste informatie ontvangt voor het nemen van een besluit over de afgifte van de Europese beroepskaart, beslist hij over de afgifte op basis van de beschikbare informatie.
4. Onze minister die het aangaat kan de termijn van twee maanden, bedoeld in artikel 6, derde lid, met twee weken verlengen. Onze minister die het aangaat kan de verlengde termijn nog eenmaal met twee weken verlengen, indien hij dit noodzakelijk acht, met name om redenen die verband houden met de volksgezondheid of de veiligheid van de afnemers van de diensten.
5. Indien Onze minister die het aangaat na een besluit als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van de wet, om van de dienstverrichter een proeve van bekwaamheid te verlangen, er niet in slaagt binnen een maand na dat besluit een proeve van bekwaamheid te organiseren, wordt de Europese beroepskaart geacht van rechtswege te zijn afgegeven.
2. De beslistermijn, bedoeld in artikel 6, derde lid, wordt niet opgeschort door een verzoek om aanvullende informatie of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift als bedoeld in het eerste lid.
3. Indien Onze minister die het aangaat van de andere betrokken staat of de aanvrager niet de informatie als bedoeld in het eerste lid, of andere op grond van de wetof Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983 vereiste informatie ontvangt voor het nemen van een besluit over de afgifte van de Europese beroepskaart, beslist hij over de afgifte op basis van de beschikbare informatie.
4. Onze minister die het aangaat kan de termijn van twee maanden, bedoeld in artikel 6, derde lid, met twee weken verlengen. Onze minister die het aangaat kan de verlengde termijn nog eenmaal met twee weken verlengen, indien hij dit noodzakelijk acht, met name om redenen die verband houden met de volksgezondheid of de veiligheid van de afnemers van de diensten.
5. Indien Onze minister die het aangaat na een besluit als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van de wet, om van de dienstverrichter een proeve van bekwaamheid te verlangen, er niet in slaagt binnen een maand na dat besluit een proeve van bekwaamheid te organiseren, wordt de Europese beroepskaart geacht van rechtswege te zijn afgegeven.