BWBR0038602
Geldig vanaf 2016-10-11
Artikel 16
Algemeen besluit erkenning EU-beroepskwalificaties
1. Na de verificatie, bedoeld in artikel 12, vierde lid, verzendt Onze minister die het aangaat de aanvraag onverwijld aan de bevoegde autoriteit van de andere betrokken staat ter afhandeling van die aanvraag en stelt de aanvrager daarvan onverwijld in kennis.
2. In geval van gegronde twijfel over de geldigheid of authenticiteit van een document dat is gevoegd bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan de bevoegde autoriteit van de andere betrokken staat Onze minister die het aangaat verzoeken om aanvullende informatie waaronder een gewone of beëdigde vertaling van het document, dan wel een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het document.
3. Onze minister die het aangaat voldoet binnen twee weken aan het verzoek, bedoeld in het tweede lid.
4. Indien de bevoegde autoriteit in de andere betrokken staat zulks verlangt in het kader van een verzoek om aanvullende informatie als bedoeld in het tweede lid, kan Onze minister die het aangaat van de aanvrager een gewone of beëdigde vertaling eisen van het bewijs van de nationaliteit van de aanvrager alsmede van documenten als bedoeld in:
a. artikel 13, eerste lid, onderdelen h en i;
b. artikel 13, tweede lid, onderdelen c tot en met e;
c. artikelen 14 en 17 van de wet, voor zover deze documenten zijn geëist op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel g.
2. In geval van gegronde twijfel over de geldigheid of authenticiteit van een document dat is gevoegd bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan de bevoegde autoriteit van de andere betrokken staat Onze minister die het aangaat verzoeken om aanvullende informatie waaronder een gewone of beëdigde vertaling van het document, dan wel een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het document.
3. Onze minister die het aangaat voldoet binnen twee weken aan het verzoek, bedoeld in het tweede lid.
4. Indien de bevoegde autoriteit in de andere betrokken staat zulks verlangt in het kader van een verzoek om aanvullende informatie als bedoeld in het tweede lid, kan Onze minister die het aangaat van de aanvrager een gewone of beëdigde vertaling eisen van het bewijs van de nationaliteit van de aanvrager alsmede van documenten als bedoeld in:
a. artikel 13, eerste lid, onderdelen h en i;
b. artikel 13, tweede lid, onderdelen c tot en met e;
c. artikelen 14 en 17 van de wet, voor zover deze documenten zijn geëist op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel g.