BWBR0038602
Geldig vanaf 2016-10-11
Artikel 3
Algemeen besluit erkenning EU-beroepskwalificaties
1. Onze minister die het aangaat beslist binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 2, over de afgifte van de Europese beroepskaart of tot het eisen van een compenserende maatregel als bedoeld in artikel 11 van de wet.
2. In geval van het eisen van een compenserende maatregel als bedoeld in het eerste lid, beslist Onze minister die het aangaat binnen een maand nadat de aanpassingsstage is doorlopen of de proeve van bekwaamheid is afgelegd, over de afgifte van de Europese beroepskaart.
3. Onze minister die het aangaat beslist binnen een maand na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 2, over de afgifte van de Europese beroepskaart indien sprake is van een geval als bedoeld in artikel 16 van de richtlijn of van automatische erkenning als bedoeld in titel III, hoofdstuk III, van de richtlijn of hoofdstuk 3b van de wet.
4. In de gevallen, bedoeld in het eerste en derde lid, kan Onze minister die het aangaat bij gegronde twijfel de andere betrokken staat, bedoeld in artikel 2, eerste lid, verzoeken om binnen twee weken aanvullende informatie, dan wel een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een document te verstrekken.
Onze minister die het aangaat verzoekt niet om documenten die reeds zijn opgenomen in het IMI-bestand, voor zover deze documenten nog steeds geldig zijn.
5. De beslistermijnen, bedoeld in het eerste en derde lid, worden niet opgeschort door een verzoek om aanvullende informatie of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift als bedoeld in het vierde lid.
6. Indien Onze minister die het aangaat van de andere betrokken staat of de aanvrager niet de informatie als bedoeld in het vierde lid, of andere op grond van de wetof Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983 vereiste informatie ontvangt voor het nemen van een besluit over de afgifte van de Europese beroepskaart, beslist hij over de afgifte op basis van de beschikbare informatie.
7. Onze minister die het aangaat kan de termijnen, bedoeld in het eerste en derde lid, met twee weken verlengen. Onze minister die het aangaat kan de verlengde termijn nog eenmaal met twee weken verlengen, indien hij dit noodzakelijk acht, met name om redenen die verband houden met de volksgezondheid of de veiligheid van de afnemers van de diensten.
8. Indien ten aanzien van een aanvraag als bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet tijdig wordt beslist, of, indien aan de orde bij een dergelijke aanvraag, niet tijdig een proeve van bekwaamheid wordt georganiseerd, wordt de Europese beroepskaart geacht van rechtswege te zijn afgegeven.
2. In geval van het eisen van een compenserende maatregel als bedoeld in het eerste lid, beslist Onze minister die het aangaat binnen een maand nadat de aanpassingsstage is doorlopen of de proeve van bekwaamheid is afgelegd, over de afgifte van de Europese beroepskaart.
3. Onze minister die het aangaat beslist binnen een maand na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 2, over de afgifte van de Europese beroepskaart indien sprake is van een geval als bedoeld in artikel 16 van de richtlijn of van automatische erkenning als bedoeld in titel III, hoofdstuk III, van de richtlijn of hoofdstuk 3b van de wet.
4. In de gevallen, bedoeld in het eerste en derde lid, kan Onze minister die het aangaat bij gegronde twijfel de andere betrokken staat, bedoeld in artikel 2, eerste lid, verzoeken om binnen twee weken aanvullende informatie, dan wel een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een document te verstrekken.
Onze minister die het aangaat verzoekt niet om documenten die reeds zijn opgenomen in het IMI-bestand, voor zover deze documenten nog steeds geldig zijn.
5. De beslistermijnen, bedoeld in het eerste en derde lid, worden niet opgeschort door een verzoek om aanvullende informatie of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift als bedoeld in het vierde lid.
6. Indien Onze minister die het aangaat van de andere betrokken staat of de aanvrager niet de informatie als bedoeld in het vierde lid, of andere op grond van de wetof Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983 vereiste informatie ontvangt voor het nemen van een besluit over de afgifte van de Europese beroepskaart, beslist hij over de afgifte op basis van de beschikbare informatie.
7. Onze minister die het aangaat kan de termijnen, bedoeld in het eerste en derde lid, met twee weken verlengen. Onze minister die het aangaat kan de verlengde termijn nog eenmaal met twee weken verlengen, indien hij dit noodzakelijk acht, met name om redenen die verband houden met de volksgezondheid of de veiligheid van de afnemers van de diensten.
8. Indien ten aanzien van een aanvraag als bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet tijdig wordt beslist, of, indien aan de orde bij een dergelijke aanvraag, niet tijdig een proeve van bekwaamheid wordt georganiseerd, wordt de Europese beroepskaart geacht van rechtswege te zijn afgegeven.