BWBR0038602
Geldig vanaf 2016-10-11
Artikel 13
Algemeen besluit erkenning EU-beroepskwalificaties
1. Onze minister die het aangaat kan in het kader van de aanvraag, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de uitgaande beroepsbeoefenaar de volgende documenten eisen:
a. een bewijs van de nationaliteit van de aanvrager alsmede, indien dat bewijs geen geboorteplaats vermeldt, een attest ten bewijze van de geboorteplaats van de aanvrager en, indien de aanvrager een onderdaan van een derde land is, een attest dat hij rechten kan ontlenen aan de richtlijn uit hoofde van relevante wetgeving van de Europese Unie, waaronder: 1°. richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L 158);
2°. richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 016);
3°. richtlijn nr. 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PbEU L 304);
4°. richtlijn nr. 2009/50/EG van Raad van de Europese Unie van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155);
1°. richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L 158);
2°. richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 016);
3°. richtlijn nr. 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PbEU L 304);
4°. richtlijn nr. 2009/50/EG van Raad van de Europese Unie van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155);
b. de bekwaamheidsattesten of opleidingstitels waarop de aanvrager zich beroept;
c. in voorkomend geval, een bewijs van de opleidingstitels of beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 10 van de wet, waarop de aanvrager zich beroept;
d. documenten met aanvullende informatie over de totale duur van de door de aanvrager gevolgde opleiding, de verhouding tussen het theoretische en het praktische deel van de opleiding en de binnen de opleiding bestudeerde onderwerpen;
e. voor zover geëist door de bevoegde autoriteit van de andere betrokken staat, bedoeld in artikel 9, op grond van artikel 10, tweede lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983, de volgende documenten betreffende kwalificaties die een compensatie kunnen vormen voor kwalificaties die wezenlijk verschillen, en het risico dat compenserende maatregelen nodig zijn, kunnen verminderen: 1°. informatie over door de aanvrager verworven kennis, vaardigheden en competenties, bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de richtlijn,
2°. een kopie van een bewijsstuk inzake verworven beroepservaring, waaruit duidelijk blijkt welke beroepswerkzaamheden de aanvrager heeft uitgeoefend;
1°. informatie over door de aanvrager verworven kennis, vaardigheden en competenties, bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de richtlijn,
2°. een kopie van een bewijsstuk inzake verworven beroepservaring, waaruit duidelijk blijkt welke beroepswerkzaamheden de aanvrager heeft uitgeoefend;
f. in voorkomend geval, een bewijsstuk van de beroepservaring als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de wet, die door de aanvrager is verworven in een betrokken staat waar het betrokken beroep niet is gereglementeerd;
g. de documenten, bedoeld in de artikelen 13, eerste lid, onderdeel d en 14 tot en met 17 van de wet, voor zover deze documenten door de bevoegde autoriteit van de andere betrokken staat, bedoeld in artikel 9, worden geëist op grond van artikel 10, tweede lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983;
h. indien artikel 10, onderdeel a, van toepassing is, en Onze minister die het aangaat de in dat artikel bedoelde vestiging niet op enige andere wijze kan bevestigen, een attest dat de aanvrager rechtmatig in Nederland gevestigd is om er de betrokken werkzaamheden uit te oefenen;
i. indien artikel 10, onderdeel c, van toepassing is, een door Onze minister die het aangaat afgegeven certificaat waaruit blijkt dat de aanvrager drie jaar beroepservaring heeft in het betrokken beroep of, indien Onze minister die het aangaat de beroepservaring niet kan certificeren, een ander bewijs van de opgedane beroepservaring, waaruit duidelijk blijkt welke beroepswerkzaamheden de aanvrager heeft uitgeoefend.
2. Indien de aanvraag betreft een gereglementeerd beroep waarvoor een automatische erkenning geldt als bedoeld in titel III, hoofdstuk III, van de richtlijn, kan Onze minister die het aangaat in het kader van de aanvraag de volgende documenten eisen:
a. de documenten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en g;
b. de opleidingstitel waarop de aanvrager zich beroept alsmede, indien van toepassing, een begeleidend certificaat;
c. in voorkomend geval, een certificaat als bedoeld in bijlage VII, punt 2, van de richtlijn, waaruit blijkt dat de opleidingstitel voldoet aan de opleidingseisen;
d. in voorkomend geval, een certificaat van verandering van aanduiding als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de richtlijn, indien de benaming van de door de aanvrager verworven opleidingstitel niet overeenstemt met de aanduidingen in bijlage V, punt 5.2.2 of 5.6.2, bij de richtlijn, maar de opleidingstitel wel voldoet aan de opleidingseisen;
e. in voorkomend geval, een certificaat van verworven rechten als bedoeld in artikel 23, 33 of 33 bis van de richtlijn, dat bewijst dat de aanvrager de betrokken werkzaamheden gedurende ten minste de vereiste minimumperiode heeft daadwerkelijk en op wettige wijze heeft uitgeoefend en dat aan de specifieke vereisten van het betreffende artikel is voldaan, indien zijn opleiding is begonnen voor de referentiedatum, bedoeld in bijlage V, punt 5.2.2. of 5.6.2, bij de richtlijn, en de opleidingstitel niet aan alle opleidingseisen voldoet.
a. een bewijs van de nationaliteit van de aanvrager alsmede, indien dat bewijs geen geboorteplaats vermeldt, een attest ten bewijze van de geboorteplaats van de aanvrager en, indien de aanvrager een onderdaan van een derde land is, een attest dat hij rechten kan ontlenen aan de richtlijn uit hoofde van relevante wetgeving van de Europese Unie, waaronder: 1°. richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L 158);
2°. richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 016);
3°. richtlijn nr. 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PbEU L 304);
4°. richtlijn nr. 2009/50/EG van Raad van de Europese Unie van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155);
1°. richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L 158);
2°. richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L 016);
3°. richtlijn nr. 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PbEU L 304);
4°. richtlijn nr. 2009/50/EG van Raad van de Europese Unie van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155);
b. de bekwaamheidsattesten of opleidingstitels waarop de aanvrager zich beroept;
c. in voorkomend geval, een bewijs van de opleidingstitels of beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 10 van de wet, waarop de aanvrager zich beroept;
d. documenten met aanvullende informatie over de totale duur van de door de aanvrager gevolgde opleiding, de verhouding tussen het theoretische en het praktische deel van de opleiding en de binnen de opleiding bestudeerde onderwerpen;
e. voor zover geëist door de bevoegde autoriteit van de andere betrokken staat, bedoeld in artikel 9, op grond van artikel 10, tweede lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983, de volgende documenten betreffende kwalificaties die een compensatie kunnen vormen voor kwalificaties die wezenlijk verschillen, en het risico dat compenserende maatregelen nodig zijn, kunnen verminderen: 1°. informatie over door de aanvrager verworven kennis, vaardigheden en competenties, bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de richtlijn,
2°. een kopie van een bewijsstuk inzake verworven beroepservaring, waaruit duidelijk blijkt welke beroepswerkzaamheden de aanvrager heeft uitgeoefend;
1°. informatie over door de aanvrager verworven kennis, vaardigheden en competenties, bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de richtlijn,
2°. een kopie van een bewijsstuk inzake verworven beroepservaring, waaruit duidelijk blijkt welke beroepswerkzaamheden de aanvrager heeft uitgeoefend;
f. in voorkomend geval, een bewijsstuk van de beroepservaring als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de wet, die door de aanvrager is verworven in een betrokken staat waar het betrokken beroep niet is gereglementeerd;
g. de documenten, bedoeld in de artikelen 13, eerste lid, onderdeel d en 14 tot en met 17 van de wet, voor zover deze documenten door de bevoegde autoriteit van de andere betrokken staat, bedoeld in artikel 9, worden geëist op grond van artikel 10, tweede lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983;
h. indien artikel 10, onderdeel a, van toepassing is, en Onze minister die het aangaat de in dat artikel bedoelde vestiging niet op enige andere wijze kan bevestigen, een attest dat de aanvrager rechtmatig in Nederland gevestigd is om er de betrokken werkzaamheden uit te oefenen;
i. indien artikel 10, onderdeel c, van toepassing is, een door Onze minister die het aangaat afgegeven certificaat waaruit blijkt dat de aanvrager drie jaar beroepservaring heeft in het betrokken beroep of, indien Onze minister die het aangaat de beroepservaring niet kan certificeren, een ander bewijs van de opgedane beroepservaring, waaruit duidelijk blijkt welke beroepswerkzaamheden de aanvrager heeft uitgeoefend.
2. Indien de aanvraag betreft een gereglementeerd beroep waarvoor een automatische erkenning geldt als bedoeld in titel III, hoofdstuk III, van de richtlijn, kan Onze minister die het aangaat in het kader van de aanvraag de volgende documenten eisen:
a. de documenten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en g;
b. de opleidingstitel waarop de aanvrager zich beroept alsmede, indien van toepassing, een begeleidend certificaat;
c. in voorkomend geval, een certificaat als bedoeld in bijlage VII, punt 2, van de richtlijn, waaruit blijkt dat de opleidingstitel voldoet aan de opleidingseisen;
d. in voorkomend geval, een certificaat van verandering van aanduiding als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de richtlijn, indien de benaming van de door de aanvrager verworven opleidingstitel niet overeenstemt met de aanduidingen in bijlage V, punt 5.2.2 of 5.6.2, bij de richtlijn, maar de opleidingstitel wel voldoet aan de opleidingseisen;
e. in voorkomend geval, een certificaat van verworven rechten als bedoeld in artikel 23, 33 of 33 bis van de richtlijn, dat bewijst dat de aanvrager de betrokken werkzaamheden gedurende ten minste de vereiste minimumperiode heeft daadwerkelijk en op wettige wijze heeft uitgeoefend en dat aan de specifieke vereisten van het betreffende artikel is voldaan, indien zijn opleiding is begonnen voor de referentiedatum, bedoeld in bijlage V, punt 5.2.2. of 5.6.2, bij de richtlijn, en de opleidingstitel niet aan alle opleidingseisen voldoet.