BWBR0038602
Geldig vanaf 2016-10-11
Artikel 26
Algemeen besluit erkenning EU-beroepskwalificaties
1. De uitgaande dienstverrichter die tijdelijk en incidenteel diensten wenst te verrichten in een beroep dat in de andere betrokken staat, bedoeld in artikel 17, is aangemerkt als een beroep als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de richtlijn, kan, mits voor het betrokken beroep een Europese beroepskaart is ingevoerd, bij Onze minister die het aangaat een aanvraag voor een Europese beroepskaart indienen langs elektronische weg via het online instrument, bedoeld in artikel 4 ter, eerste lid, van de richtlijn.
2. Onze minister die het aangaat behandelt de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig deze afdeling, met uitzondering van artikelen 22, 24en 25en met dien verstande dat in plaats van artikelen 19, eerste, tweede en vijfde liden 23, artikelen 12, eerste, tweede, vijfde en zesde liden 16, eerste tot en met derde lid, van toepassing zijn.
3. Onze minister die het aangaat kan in het kader van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, van de uitgaande dienstverrichter de volgende documenten eisen betreffende kwalificaties die een compensatie kunnen vormen voor kwalificaties die wezenlijk verschillen, en het risico dat een proeve van bekwaamheid nodig is, kunnen verminderen:
a. informatie over door de aanvrager verworven kennis, vaardigheden en competenties als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de richtlijn;
b. een kopie van een bewijsstuk inzake verworven beroepservaring, waaruit duidelijk blijkt welke beroepswerkzaamheden de aanvrager heeft uitgeoefend;
c. documenten met aanvullende informatie over de totale duur van de door de aanvrager gevolgde opleiding, de verhouding tussen het theoretische en het praktische deel van de opleiding en de binnen de opleiding bestudeerde onderwerpen.
4. Indien Onze minister die het aangaat bij of krachtens wettelijk voorschrift bevoegd en gehouden is tot de afgifte van een document als bedoeld in het derde lid, vult hij de aanvraag aan met dit document.
2. Onze minister die het aangaat behandelt de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig deze afdeling, met uitzondering van artikelen 22, 24en 25en met dien verstande dat in plaats van artikelen 19, eerste, tweede en vijfde liden 23, artikelen 12, eerste, tweede, vijfde en zesde liden 16, eerste tot en met derde lid, van toepassing zijn.
3. Onze minister die het aangaat kan in het kader van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, van de uitgaande dienstverrichter de volgende documenten eisen betreffende kwalificaties die een compensatie kunnen vormen voor kwalificaties die wezenlijk verschillen, en het risico dat een proeve van bekwaamheid nodig is, kunnen verminderen:
a. informatie over door de aanvrager verworven kennis, vaardigheden en competenties als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de richtlijn;
b. een kopie van een bewijsstuk inzake verworven beroepservaring, waaruit duidelijk blijkt welke beroepswerkzaamheden de aanvrager heeft uitgeoefend;
c. documenten met aanvullende informatie over de totale duur van de door de aanvrager gevolgde opleiding, de verhouding tussen het theoretische en het praktische deel van de opleiding en de binnen de opleiding bestudeerde onderwerpen.
4. Indien Onze minister die het aangaat bij of krachtens wettelijk voorschrift bevoegd en gehouden is tot de afgifte van een document als bedoeld in het derde lid, vult hij de aanvraag aan met dit document.