BWBR0020420
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 59
Besluit prudentiële regels Wft
1. De solvabiliteit van een beheerder van een beleggingsinstelling, beheerder van een icbe, betaalinstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie of premiepensioeninstelling als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:57" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:57, eerste lid, van de wet</a>is voldoende, indien het aanwezige in aanmerking komende toetsingsvermogen van de onderneming ten minste gelijk is aan de minimum omvang van het toetsingsvermogen, berekend overeenkomstig de artikelen 60a, 61, 63, 63a, 63ben 64.
2. De solvabiliteit van een verzekeraar als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:57" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:57, eerste lid</a>, <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:58" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:58, eerste of tweede lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:61" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:61, eerste of tweede lid</a>, of van een bijkantoor als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:59" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:59, eerste lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:62" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:62, eerste lid, van de wet</a>is voldoende indien het eigen vermogen, bedoeld in artikel 70, ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, berekend overeenkomstig, al naar gelang van toepassing, artikel 65, 66of 68.
3. De solvabiliteit van een bank als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:57" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:57, eerste lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:58" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:58, eerste lid, van de wet</a>of een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, is voldoende, indien het aanwezige toetsingsvermogen van de onderneming voldoet aan de op de bank of beleggingsonderneming van toepassing zijnde kapitaaleisen uit deel 3 van de verordening kapitaalvereisten.
4. De solvabiliteit van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen is voldoende, indien het aanwezige toetsingsvermogen van de onderneming voldoet aan de op de beleggingsonderneming van toepassing zijnde kapitaaleisen uit delen 3 en 4 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen.
5. Op een beleggingsonderneming als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:58" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:58, eerste lid, onderdeel a, van de wet</a>, is:
a. het derde lid van overeenkomstige toepassing, indien het een beleggingsonderneming betreft waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat, de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn; of
b. het vierde lid van overeenkomstige toepassing, indien het een beleggingsonderneming betreft waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat, de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen van toepassing zou zijn.
6. De solvabiliteit van een clearinginstelling als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:57" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:57, eerste lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:61" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:61, eerste lid, van de wet</a>is voldoende, indien de omvang van het aanwezige toetsingsvermogen ten minste gelijk is aan de minimumomvang van het toetsingsvermogen voor een bank, berekend overeenkomstig deel 3 van de verordening kapitaalvereisten.
7. Onverminderd het eerste tot en met vierde en zesde lid is de omvang van Het aanwezige toetsingsvermogen, bedoeld in het eerste, derde, vierde en zesde lid, onderscheidenlijk het eigen vermogen, bedoeld in het tweede lid, ten minste gelijk aan het ingevolge artikel 48voorgeschreven minimumbedrag aan eigen vermogen, onderscheidenlijk het ingevolge artikel 49, 49aof 49bvoorgeschreven minimumkapitaalvereiste.
8. Voor de toepassing van het eerste lid:
1°. wordt het tier 1-kernkapitaal als bedoeld in artikel 50 van de verordening kapitaalvereisten volledig voor de berekening van het aanwezige toetsingsvermogen in aanmerking genomen;
2°. wordt het aanvullend tier 1-kapitaal als bedoeld in artikel 61 van de verordening kapitaalvereisten voor de berekening van het aanwezige toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen voor zover het niet meer bedraagt dan een derde van het tier 1-kernkapitaal;
3°. wordt het tier 2-kapitaal als bedoeld in artikel 71 van de verordening kapitaalvereisten voor de berekening van het aanwezige toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen voor zover het niet meer bedraagt dan een derde van het tier 1-kapitaal; en
4°. mag, indien wordt voldaan aan de onderdelen 2° en 3°, het tier 2-kapitaal worden gesubstitueerd door aanvullend tier 1-kapitaal.
9. De solvabiliteit van een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die tevens een beleggingsdienst verleent op grond van <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/2:67a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2:67a, tweede lid, van de wet</a>, respectievelijk <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/2:69c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2:69c, tweede lid, van de wet</a>is voldoende, indien het aanwezige toetsingsvermogen van de onderneming voldoet aan de voor diezelfde beleggingsdienst op een beleggingsonderneming van toepassing zijnde kapitaaleisen van deel 3 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, met dien verstande dat het toetsingsvermogen ten minste gelijk is aan het toetsingsvermogen berekent overeenkomstig het eerste lid.
10. De Nederlandsche Bank stelt ter uitvoering van het negende lid nadere regels met betrekking tot de toepassing van de kapitaaleisen van deel 3 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen voor beheerders van beleggingsinstellingen en beheerders van icbe’s als bedoeld in het negende lid.
2. De solvabiliteit van een verzekeraar als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:57" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:57, eerste lid</a>, <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:58" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:58, eerste of tweede lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:61" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:61, eerste of tweede lid</a>, of van een bijkantoor als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:59" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:59, eerste lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:62" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:62, eerste lid, van de wet</a>is voldoende indien het eigen vermogen, bedoeld in artikel 70, ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, berekend overeenkomstig, al naar gelang van toepassing, artikel 65, 66of 68.
3. De solvabiliteit van een bank als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:57" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:57, eerste lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:58" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:58, eerste lid, van de wet</a>of een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten, is voldoende, indien het aanwezige toetsingsvermogen van de onderneming voldoet aan de op de bank of beleggingsonderneming van toepassing zijnde kapitaaleisen uit deel 3 van de verordening kapitaalvereisten.
4. De solvabiliteit van een beleggingsonderneming in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen is voldoende, indien het aanwezige toetsingsvermogen van de onderneming voldoet aan de op de beleggingsonderneming van toepassing zijnde kapitaaleisen uit delen 3 en 4 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen.
5. Op een beleggingsonderneming als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:58" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:58, eerste lid, onderdeel a, van de wet</a>, is:
a. het derde lid van overeenkomstige toepassing, indien het een beleggingsonderneming betreft waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat, de verordening kapitaalvereisten van toepassing zou zijn; of
b. het vierde lid van overeenkomstige toepassing, indien het een beleggingsonderneming betreft waarop, zou zij haar zetel hebben in een lidstaat, de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen van toepassing zou zijn.
6. De solvabiliteit van een clearinginstelling als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:57" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3:57, eerste lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/3:61" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3:61, eerste lid, van de wet</a>is voldoende, indien de omvang van het aanwezige toetsingsvermogen ten minste gelijk is aan de minimumomvang van het toetsingsvermogen voor een bank, berekend overeenkomstig deel 3 van de verordening kapitaalvereisten.
7. Onverminderd het eerste tot en met vierde en zesde lid is de omvang van Het aanwezige toetsingsvermogen, bedoeld in het eerste, derde, vierde en zesde lid, onderscheidenlijk het eigen vermogen, bedoeld in het tweede lid, ten minste gelijk aan het ingevolge artikel 48voorgeschreven minimumbedrag aan eigen vermogen, onderscheidenlijk het ingevolge artikel 49, 49aof 49bvoorgeschreven minimumkapitaalvereiste.
8. Voor de toepassing van het eerste lid:
1°. wordt het tier 1-kernkapitaal als bedoeld in artikel 50 van de verordening kapitaalvereisten volledig voor de berekening van het aanwezige toetsingsvermogen in aanmerking genomen;
2°. wordt het aanvullend tier 1-kapitaal als bedoeld in artikel 61 van de verordening kapitaalvereisten voor de berekening van het aanwezige toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen voor zover het niet meer bedraagt dan een derde van het tier 1-kernkapitaal;
3°. wordt het tier 2-kapitaal als bedoeld in artikel 71 van de verordening kapitaalvereisten voor de berekening van het aanwezige toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen voor zover het niet meer bedraagt dan een derde van het tier 1-kapitaal; en
4°. mag, indien wordt voldaan aan de onderdelen 2° en 3°, het tier 2-kapitaal worden gesubstitueerd door aanvullend tier 1-kapitaal.
9. De solvabiliteit van een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe die tevens een beleggingsdienst verleent op grond van <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/2:67a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2:67a, tweede lid, van de wet</a>, respectievelijk <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/2:69c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2:69c, tweede lid, van de wet</a>is voldoende, indien het aanwezige toetsingsvermogen van de onderneming voldoet aan de voor diezelfde beleggingsdienst op een beleggingsonderneming van toepassing zijnde kapitaaleisen van deel 3 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, met dien verstande dat het toetsingsvermogen ten minste gelijk is aan het toetsingsvermogen berekent overeenkomstig het eerste lid.
10. De Nederlandsche Bank stelt ter uitvoering van het negende lid nadere regels met betrekking tot de toepassing van de kapitaaleisen van deel 3 van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen voor beheerders van beleggingsinstellingen en beheerders van icbe’s als bedoeld in het negende lid.