BWBR0014168
Geldig vanaf 2022-10-13
Artikel 26
Mijnbouwwet
1. Een opslagvergunning wordt niet verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou gaan gelden voor een gebied waarvoor op dat tijdstip reeds een door een ander gehouden opslagvergunning geldt.
2. Een opslagvergunning wordt evenmin verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou gaan gelden voor een voorkomen waarvoor op dat tijdstip reeds een door een ander gehouden vergunning als bedoeld in artikel 6geldt of waarvoor een toewijzing zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte geldt.
3. Ingeval aan een houder van een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen een opslagvergunning voor hetzelfde gebied en voor dezelfde stof is verleend, vervalt de opsporings- of winningsvergunning op het tijdstip waarop de verleende opslagvergunning onherroepelijk wordt.
4. Met ingang van het tijdstip waarop een winningsvergunning als bedoeld in het derde lid vervalt, gelden de delfstoffen in het gebied waarvoor de winningsvergunning gold, als stoffen die na winning door de houder van de opslagvergunning, bedoeld in het derde lid, zijn opgeslagen en waarvan de eigendom bij hem berust.
5. Het derde lid is niet van toepassing op een houder van een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen indien hem voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze leden een onherroepelijke opslagvergunning voor hetzelfde gebied en voor dezelfde stof is verleend.
6. In afwijking van het eerste lid wordt een vergunning voor het permanent opslaan van CO 2of een vergunning voor opsporen van CO 2-opslagcomplexen niet verleend voor zover de vergunning bij de inwerkingtreding ervan zou gaan gelden voor een CO 2-opslagcomplex waarvoor op dat tijdstip reeds een vergunning als bedoeld in artikel 25geldt, ongeacht wie de houder van de desbetreffende vergunning is.
7. In afwijking van het tweede lid kan voor een voorkomen waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 6geldt, ten hoogste één vergunning voor permanent opslaan van CO 2of een vergunning voor het opsporen van CO 2-opslagcomplexen worden verleend.
2. Een opslagvergunning wordt evenmin verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou gaan gelden voor een voorkomen waarvoor op dat tijdstip reeds een door een ander gehouden vergunning als bedoeld in artikel 6geldt of waarvoor een toewijzing zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte geldt.
3. Ingeval aan een houder van een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen een opslagvergunning voor hetzelfde gebied en voor dezelfde stof is verleend, vervalt de opsporings- of winningsvergunning op het tijdstip waarop de verleende opslagvergunning onherroepelijk wordt.
4. Met ingang van het tijdstip waarop een winningsvergunning als bedoeld in het derde lid vervalt, gelden de delfstoffen in het gebied waarvoor de winningsvergunning gold, als stoffen die na winning door de houder van de opslagvergunning, bedoeld in het derde lid, zijn opgeslagen en waarvan de eigendom bij hem berust.
5. Het derde lid is niet van toepassing op een houder van een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen indien hem voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze leden een onherroepelijke opslagvergunning voor hetzelfde gebied en voor dezelfde stof is verleend.
6. In afwijking van het eerste lid wordt een vergunning voor het permanent opslaan van CO 2of een vergunning voor opsporen van CO 2-opslagcomplexen niet verleend voor zover de vergunning bij de inwerkingtreding ervan zou gaan gelden voor een CO 2-opslagcomplex waarvoor op dat tijdstip reeds een vergunning als bedoeld in artikel 25geldt, ongeacht wie de houder van de desbetreffende vergunning is.
7. In afwijking van het tweede lid kan voor een voorkomen waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 6geldt, ten hoogste één vergunning voor permanent opslaan van CO 2of een vergunning voor het opsporen van CO 2-opslagcomplexen worden verleend.